Het metamodel, wat is het?
Text

Weglating

Lesson 10

Je bent klaar met het mini-metamodel. De vier vragen van het mini-metamodel komen terug in de rest van het metamodel: het mini-metamodel is een onderdeel van het complete metamodel. We beginnen nu met een serie van patronen die samen de rest van het metamodel vormen. Het mini-metamodel omvat vier patronen. Daar komen er nu dus zeven bij, zodat je in totaal op 11 patronen uitkomt.

Twee groepen: taalkundig en semantisch

Deze zeven patronen die we nu gaan behandelen, vallen uiteen in twee groepen: eerst een groep van vier patronen die een taalkundig basis heeft. Dat wil zeggen: als spreker van de Nederlandse taal voel jij aan, dat er iets in de uitspraak ontbreekt, en daar vraag je naar. Als iemand zegt: ‘Ik ben zo blij!’ dan voel je aan dat hij ergens blij mee is of ergens blij over is. Dit is het verhaal van de oppervlaktestructuur (de uitspraak die je hoort) en de dieptestructuur (het onderliggende netwerk van betekenissen) waar we het al eerder over hebben gehad. Je voelt aan dat er in de dieptestructuur elementen zitten, die je in de oppervlaktestructuur niet hoort.


Na deze groep volgt een laatste groep van drie patronen, die officieel de semantische overtredingen worden genoemd. Nogmaals: in plaats van overtredingen zouden we ze beter semantische patronen kunnen noemen. Het metamodel heeft toch al een beetje de neiging om in een kruisverhoor te ontaarden en dat wordt alleen maar bevorderd wanneer je termen als overtreding en uitdaging in je achterhoofd hebt. De drie semantische patronen dus, hebben geen taalkundige , maar een psychologische basis. Vermoedelijk zijn ze door Bandler en Grinder ontleend aan het werk van Fritz Perls, de grondlegger van de Gestalttherapie.


Een van deze semantische patronen is bijvoorbeeld gedachtenlezen. Als iemand zegt: ‘Willlem heeft een hekel aan dominante mensen’, dan beweert hij dat hij weet wat Willem innerlijk ervaart. Maar waar haalt hij die kennis vandaan? Het idee over wat Willem denkt of voelt heeft hij afgeleid uit iets dat Willen zegt of doet. Misschien is die afleiding heel logisch en terecht maar het kan ook pure fantasie van de spreker zijn. Als dat laatste het geval is, leidt dat tot misverstanden en communicatiestoornissen, want de spreker reageert op een beeld van Willem dat niet klopt. Hij heeft immers geen directe observaties van Willem’s zieleroerselen. Op basis van de taalkundige patronen kun overigens ook nog je vragen over welke dominante mensen de spreker het heeft wat ‘een hekel hebben aan’ precies inhoudt. Maar op basis van het patroon gedachtenlezen vraag je: ‘Hoe weet je dat Willem een hekel heeft aan dominante mensen?’ Enfin, dat komt allemaal verderop in de cursus.


Het patroon dat we nu gaan bekijken is in zekere zin heel eenvoudig, het gaat om weglating zondermeer. Het eenvoudigste patroon uit het hele metamodel. Als iemand bijvoorbeeld zegt: ‘Ik ben heel tevreden’, dan voel je meteen aan dat er iets ontbreekt, namelijk datgene waar hij tevreden mee is, of tevreden over. Je weet meteen dat er meer aanwezig moet zijn in de dieptestructuur dan jij aan de oppervlakte hoort. Hoe je dat weet? Door een leven lang ervaring met de Nederlandse taal heb je die intuïtie ontwikkeld.

Dit is het metamodel in zijn meest pure vorm: je hoort een weglating en je vraagt naar wat er wordt weggelaten. En ook hier gaat het weer, net als bij alle andere metamodelvragen, om dezelfde twee doelen: de informatie duidelijker maken en iemand de kans geven om nieuwe ideeën te vormen. Alleen is dit patroon minder gemakkelijk in een formule te vatten. Er kan immers van alles worden weggelaten, en afhankelijk van wat er wordt weggelaten is de vraag ook steeds anders: ‘Waarover?’,  ‘Waarmee?’ ‘Waar naartoe?’, ‘Wat met name?’, ‘Aan wie?’ ‘Waarop?’, ‘Waartegen’, Waarmee?, ‘Voor wat?’, enzovoort.

Patroon: ‘[Weglating]‘. > Vraag : ‘[Aanvulling van wat wordt weggelaten]?

Patroon: “Ik moet rennen!”
Vraag: “Waar moet je naartoe rennen?”
Of:
Waar moet je vandaan rennen?””

Ik ga hier verder niet al te veel tekst aan wijden. Maak de quiz maar, dan spreekt dit patroon vast vanzelf.

​Hoe gaat het verder met de badges?

Als je deze les en de vier volgende af hebt, dan heb je de hele tweede helft van het metamodel doorgenomen. Er zijn dan nog maar drie metamodelvragen te gaan. Dus voor deze badge moet je wel het meeste doen (vijf lessen in totaal). Maar dan heb je ook een flink stuk van het metamodel ‘achter de kiezen’…

Powered by Thrive Apprentice
Pen