Het metamodel, wat is het?
Text

Praktijkoefening: Deel 2 free style

Lesson 16

We gaan je kennis van de tweede helft van het metamodel nu nogmaals in praktijk brengen. In de vorige oefening deed je dat ook al, maar toen ging het nog om losse onderdelen. Nu gaan we free style werken en deze vier vragen met elkaar combineren.

Het doel van het gesprek

Als je straks in gesprek bent, en je wilt het metamodel oefenen, dan moet je eerst een doel bepalen. Je hebt een doel nodig om richting te geven aan je metamodelvragen. Je hebt een soort kompas nodig! Daar komt nog bij dat vrijwel ieder antwoord dat je op een metamodelvraag krijgt, weer nieuwe metamodelpatronen bevat. Misschien herinner je je nog wel een eerdere lessen dat er voor deze vier patronen geen verkeersregels zijn, maar dat we toch drie manieren hebben om een vraag te kiezen:

  1. Focus op wat belangrijk is voor je doel
  2. Let op wat er non-verbaal uit springt
  3. Gebruik je intuïtie

Soorten doelen

Focus op je doel staat in het bovenstaande rijtje op de eerste plaats. We hebben het hier in de praktijkles over het mini-metamodel ook al over gehad. Dit zijn enkele mogelijke doelen:

  • Afspraak
    Er wordt een afspraak gemaakt en jij wilt die graag eenduidig maken.
  • Probleem
    Iemand praat over een probleem en jij wilt hem graag helpen om dat op te lossen.
  • Opdracht
    Je geeft iemand een opdracht en je wilt graag dat hij je goed begrijpt. Je vraagt hem hoe hij de opdracht heeft opgevat.
  • Klacht
    Iemand uit een klacht en jij wilt graag begrijpen wat hij precies bedoelt.
  • Persoonlijk probleem
    Iemand praat over een persoonlijk probleem. Dat kan best in een zakelijke situatie spelen, maar hij heeft er persoonlijk moeilijke gevoelens bij. Jij wilt hem graag helpen om er anders tegenaan te kijken. Jij wilt hem graag in de gelegenheid stellen om een nieuw perspectief te vinden. En van daaruit misschien zelfs concrete oplossingen.
  • Persoonlijk doel
    Iemand praat over iets dat hij graag wil bereiken. Jij wilt hem graag helpen om dat helemaal helder te krijgen.
  • Zakelijke doelstelling
    Iemand verwoordt een doel – bijvoorbeeld de ‘targets’ voor de komende periode, de algemene strategie van de organisatie of het beleid van de gemeente. Jij wilt die doelen graag helder hebben.
  • Te mooi verhaal
    Iemand vertelt een mooi verhaal, maar jij vertrouwt het niet helemaal. Je wilt graag ontdekken of hij weet waar hij het over heeft.
  • Overdreven zelfvertrouwen
    Sommige mensen kunnen op een bepaald terrein niet veel, maar weten wel heel zeker hoe het moet. Hun zelfvertrouwen staat niet in verhouding tot hun expertise. Dat gevoel krijg je bij iemand, en daarom wil je graag ontdekken wat hij echt kan of weet of wat hij concreet heeft gepresteerd.
  • Overdreven bescheidenheid
    Ook het omgekeerde kom je tegen: je hebt het gevoel dat iemand veel kan, maar hij gelooft het zelf niet. Jij wilt hem graag helpen daar anders tegen aan te kijken.
  • Het verhaal in je hoofd
    Last but not least, ook in jouw eigen gedachten hoor je verhalen over problemen, wensen, verlangens, doelen, hindernissen, noem maar op. Ook daar wil soms graag wat
     meer helderheid krijgen en een frisse blik toevoegen.

De oefening

Voor de oefening doe je het volgende:

  1. Gesprek en contact
    • Je bent met iemand in gesprek, gewoon in je dagelijks leven en werk.
    • Om te beginnen zorg je ervoor dat je goed contact hebt met je gesprekspartner.
      • Check je gevoel: Hebben we goed contact?
      • Als je nog geen goed contact hebt, zorg dan eerst dat je goed contact krijgt.
  2. Doel
    Nu stel je een doel. Wat wil ik bereiken in dit gesprek? Waar wil ik naartoe met dit gesprek? Wat wil ik helder krijgen? Hoe wil ik hem of haar helpen?
  3. Metamodelvragen
    • Focus op je doel (maak in het begin even een visueel beeld van waar je naartoe wilt).
    • Kies een metamodelpatroon.
      Het gaat steeds om een van deze vier
      • Weglating
      • Halve vergelijking
      • Alles-of-niets
      • Nominalisatie.
    • Stel de bijbehorende metamodelvraag.
    • Luister naar de reactie.
    • Stel de volgende metamodelvraag.
      • Let wel: je kunt ingaan op het antwoord maar je kunt ook teruggrijpen op de uitspraak daarvoor en een vraag stellen over een ander patroon dat daar nog in zat.

Overzichtskaartje

Misschien wil je tijdens het gesprek af en toe een blik werpen op het overzichtskaartje (dit kaartje stond ook al in de vorige les).


Metamodel Praktijkoefening 2

Je logboek, een voorbeeld

Als je de oefening hebt gedaan, kun je je logboek invullen

Hier zien we een gesprek tussen de algemene directeur en de leider van de afdeling HRM.

  • De kogel is nu toch door de kerk: we beginnen volgend kwartaal met de ontmanteling van HRM. We gaan de hele HRM definitief outsourcen.
  • Wat gaan we dan precies doen en vertellen wat jij nu ‘de ontmanteling’ noemt?
  • We gaan de medewerkers snel op de hoogte brengen van de beslissing en de afvloeiingsregelingen uitzetten.
  • Je zegt ‘afvloeiingsregelingen’, wat gaan we ze dan geven? En wat gaan we voor ze regelen?
  • Ze krijgen in principe 6 maanden salaris mee, plus een mobiliteitsplan.
  • Mobiliteitsplan? Wat wordt er dan in het kader van dat plan voor ze gedaan?
  • Daar kan ik op dit moment nog niets over zeggen,
  • Kun je daar echt helemaal absoluut totaal niets over zeggen??
  • Nou ja, we weten al wel dat we Bureau Rodenstein gaan inschakelen, die gaan met ze kijken waar ze eventueel heen kunnen.
  • Je zei dat de kogel door de kerk was. Kunnen we niet toch nog eens kijken of we onze HRM op de een af andere manier toch hier kunnen houden?
  • Op dit moment zie ik geen enkele mogelijkheid om aan die beslissing te tornen.
  • Dus je ziet nog niet het allerkleinste gaatje of ook maar het meest minuscule draadje om aan te tornen?
  • Nou ja, hoogstens kunnen we kijken of we misschien een heel klein deeltje van de HRM in huis kunnen houden, maar ik denk het niet.
  • Want wat hebben jullie dan tegen elkaar gezegd en hoe kijken jullie er dan nu tegen aan, wat jij zonet ‘de beslissing’ noemde?
  • We zijn tot de conclusie gekomen dat het echt beter is om de zaak te outsourcen.
  • Beter dan wat?
  • Gewoon, beter dan het nu is, beter dan alles in eigen beheer te doen. In die vergelijking komt het outsourcen er zondermeer beter af.
  • Wat hebben jullie dan precies waar mee vergeleken. En hoe?
  • We hebben gekeken wat het nu precies kost en de projectie gezien van het outsourcen. Daar kunnen we flink op besparen.
  • Wat kunnen we daar dan op besparen?
  • Ja, hoe bedoel je? Kosten natuurlijk, wat dacht je dan?
  • Dus waar het dan op neer komt, is dat jullie denken dat de kosten van outsourcen lager zijn dan het zelf in huis houden van de HRM?
  • Ja, in feite komt het daar op neer.
  • Dus wat dan, als de HRM met een berekening kan komen waaruit blijkt dat zij niet duurder zijn?
  • Nou, dat lijkt mij sterk.
  • Maar stel?
  • Ja, dat zou ik niet weten, dat zou ik dan eerst moeten zien.

In dit gesprek zien we hoe de nominalisatie ‘de beslissing’ in het begin heel hard wordt neergezet, maar geleidelijk toch iets bespreekbaarder wordt. Als de afdeling HRM kan laten zien dat zij niet duurder zijn, is het wellicht nog mogelijk dat ze niet worden opgeheven. Misschien zijn bij de projectie van het outsourcen wel belangrijk posten over het hoofd gezien. Of misschien levert HRM financiële voordelen op die bij het outsourcen ontbreken. Dit soort berekeningen kan immers op verschillende manieren worden gemaakt.

Praktijkopdracht

  • Doe de oefening en vul je logboek in.
  • Save.
  • Ga naar de quiz en geef aan dat je klaar bent voor de volgende les.
  • Powered by Thrive Apprentice
    Pen