Het metamodel, wat is het?
Text

Praktijkoefening: Deel 1 free style

Lesson 8

Ook deze les is een echte praktijkles. Je bent al een heel eind gekomen in de cursus. Je kent de vragen van het mini-metamodel, je weet wanneer je ze stelt en je hebt zelfs verkeersregels geleerd over met welke vraag je begint. Je hebt het mini-metamodel qua kennis aardig onder de knie.


Ik vergelijk het metamodel wel eens met een Kangoo, een hydraulische beitel. Jij weet nu hoe dat apparaat in grote lijnen in elkaar zit, wie het uitgevonden heeft, wat de belangrijkste onderdelen zijn, waar je het voor kunt gebruiken en hoe je het vast moet houden. Je weet nu genoeg om eens een muurtje te strippen of een tussenmuur te slopen en een hoop ruimte te scheppen. Bij wijze van spreken. Nu ga je dat allemaal inzetten om een huis te verbouwen.

We gaan die kennis nu nogmaals in praktijk brengen. In de vorige oefening deed je dat ook al, maar toen ging het nog om losse onderdelen. Nu gaan we free style werken en alle mini-metamodelvragen met elkaar combineren.

Het doel van het gesprek

Als je straks in gesprek bent, en je wilt het metamodel gaan gebruiken, dan moet je eerst een doel bepalen. Misschien denk je: moeten? Wat zou er dan gebeuren als ik geen doel zou bepalen? Als je dat dacht, geef ik je mijn hartelijke complimenten! En ook het antwoord: we hebben een doel nodig om richting te geven aan onze metamodelvragen. In de meeste uitspraken zitten zo veel metamodelpatronen, dat je een richtlijn nodig hebt. Je hebt een kompas nodig! Daar komt nog bij dat vrijwel ieder antwoord dat je op een metamodelvraag krijgt, weer nieuwe metamodelpatronen bevat. Misschien herinner je je nog wel uit een eerdere les (de verkeersregels) dat er drie manieren zijn om te metamodelvragen te kiezen:


  1. Focus op wat belangrijk is voor je doel
  2. Let op wat er non-verbaal uit springt
  3. De verkeersregels

Soorten doelen

Focus op je doel staat in het bovenstaande rijtje niet voor niets op de eerste plaats. Wat voor doelen zouden dat kunnen zijn? Ik ga er een paar opnoemen. Dit zijn doelen die je in een gegeven gesprek zou kunnen hebben. Uiteraard is het in ieder gesprek helemaal aan jou, wat voor doel je wilt stellen.


Je kunt er voor kiezen om je gesprekspartner bij dat doel te betrekken. Stel bijvoorbeeld dat je doel is om een afspraak eenduidig te maken (het eerste mogelijke doel in de onderstaande lijst). Je zou dan aan je gesprekspartner kunnen vragen ‘Vind je het goed als we dit doel samen even helemaal eenduidig maken?’ Over het algemeen is het een goed idee om de ander bij je doelen te betrekken, maar het is geen must. Het metamodel werkt ook prima als de ander niet op de hoogte is van jouw doel. Dit zijn enkele mogelijke doelen:


  • Afspraak
    Er wordt een afspraak gemaakt en jij wilt die graag eenduidig maken.
  • Probleem
    Iemand praat over een probleem en jij wilt hem graag helpen om dat op te lossen.
  • Opdracht
    Je geeft iemand een opdracht en je wilt graag dat hij je goed begrijpt. Je vraagt hem hoe hij de opdracht heeft opgevat.
  • Klacht
    Iemand uit een klacht en jij wilt graag begrijpen wat hij precies bedoelt.
  • Persoonlijk probleem
    Iemand praat over een persoonlijk probleem. Dat kan best in een zakelijke situatie spelen, maar hij heeft er persoonlijk moeilijke gevoelens bij. Jij wilt hem graag helpen om er anders tegen aan te kijken. Jij wilt hem graag in de gelegenheid stellen om een nieuw perspectief te vinden. En van daaruit misschien zelfs concrete oplossingen.
  • Persoonlijk doel
    Iemand praat over iets dat hij graag wil bereiken. Jij wilt hem graag helpen om dat helemaal helder te krijgen.
  • Zakelijke doelstelling
    Iemand verwoordt een doel – bijvoorbeeld de ‘targets’ voor de komende periode, de algemene strategie van de organisatie of het beleid van de gemeente. Jij wilt die doelen graag helder hebben.
  • Te mooi verhaal
    Iemand vertelt een mooi verhaal, maar jij vertrouwt het niet helemaal. Je wilt graag ontdekken of hij weet waar hij het over heeft.
  • Overdreven zelfvertrouwen
    Sommige mensen kunnen op een bepaald terrein niet veel, maar weten wel heel zeker hoe het moet. Het zelfvertrouwen staat niet altijd in verhouding tot de expertise. Dat gevoel krijg je bij iemand, en daarom wil je graag ontdekken wat hij echt heeft gepresteerd.
  • Overdreven bescheidenheid
    Ook het omgekeerde kom je tegen: je hebt het gevoel dat iemand veel kan, maar hij gelooft het zelf niet. Jij wilt hem graag helpen daar anders tegen aan te kijken.
  • Het verhaal in je hoofd
    Last but not least, ook in jouw eigen gedachten hoor je verhalen over problemen, wensen, verlangens, doelen, hindernissen, noem maar op. Ook daar wil soms graag wat meer helderheid en een frisse blik toevoegen.


De oefening

Voor de oefening doe je het volgende:


  1. Gesprek en contact
    • Je bent met iemand in gesprek, gewoon in je dagelijks leven en werk.
    • Om te beginnen zorg je ervoor dat je goed contact hebt met je gesprekspartner.
      • Check je gevoel: Hebben we goed contact?
      • Als je nog geen goed contact hebt, zorg dan eerst dat je goed contact krijgt.
  2. Doel
    Nu stel je een doel. Wat wil ik bereiken in dit gesprek? Waar wil ik naartoe met dit gesprek? Wat wil ik helder krijgen? Hoe wil ik hem of haar helpen?
  3. Metamodelvragen
    • Focus op je doel (maak in het begin even een visueel beeld van waar je naartoe wilt).
    • Stel een metamodelvraag.
    • Luister naar de reactie.
    • Stel de volgende metamodelvraag.
      • Let wel: je kunt ingaan op het antwoord maar je kunt ook teruggrijpen op de uitspraak daarvoor en een vraag stellen over een ander patroon dat daar nog in zat.
  4. Gebruik het doel en de verkeersregels
    • Soms weet je intuïtief welke vraag je wilt stellen, dan stel je die gewoon.
    • Als je even de weg kwijt bent, vraag je je af: Wat was ook alweer het doel? Dan komt er vaak wel een metamodelvraag bij je op.
    • Als je het dan nog niet weet, gebruik je de verkeersregels.

Overzichtskaartje

Misschien wil je tijdens het gesprek af en toe een blik werpen op het overzichtskaartje (dit kaartje stond ook al in de vorige les).
Metamodel_Praktijkoefening1

De quiz, een voorbeeld

Als je de oefening hebt gedaan, kun je de quiz invullen


Hier is een voorbeeld van wat er in de quiz gevraagd wordt, d.w.z. dit is het soort dialoog dat je kunt beschrijven om deze quiz te halen. Je hoeft het gesprek niet op te nemen, beschrijf het gewoon zoals je het je herinnert. Gebruik de editor bij de quiz om de metamodelpatronen te cursiveren.


  • Waar ik zo ongelofelijk van baal, is dat medewerkers geen enkele verantwoordelijkheid meer nemen!
    • Doel: Ik wil hem helpen om dit probleem op te lossen.
      Opmerking: 
      Kies een van de doelen uit de bovenstaande lijst.
  • Over welke medewerkers heb je het dan met name?
  • Over alle medewerkers eigenlijk, niemand zet echt zijn schouders onder de targets.
  • Maar over welke medewerkers heb je het dan? Kun je eens een concreet iemand noemen?
  • Nou neem bijvoorbeeld Harry, dat is nou echt iemand… Die man is zo glad als een aal. Die duikt overal onder vandaan.
  • Okay, Harry is een goed voorbeeld. En wat bedoel jij dan met ‘overal onder vandaan duiken’?
  • Nou, wat ik zeg, hij neemt totaal geen verantwoordelijkheid.
  • Ja, ik kan me voorstellen dat dat frustrerend is. En wat doet hij dan precies, wat jij ‘totaal geen verantwoordelijkheid nemen’ noemt?
  • Nou, gister bijvoorbeeld, dan zeg ik: ‘We hebben iemand nodig voor het regionale overleg’ en dan zit Harry voor zich uit te staren. Hij reageert er niet eens op. Terwijl hij duidelijk de aangewezen persoon is. Hij reageert gewoon niet.
    • Verkeersregel: Eerst de modale operatoren (nodig hebben is een vorm van moeten).
  • Wat zou er dan gebeuren als je niemand zou vinden voor dat regionale overleg?
  • Ja, dat zou echt een complete afgang zijn. Dat wij niemand hebben en alle andere teams wel.
  • En wat bedoel je dan met ‘een afgang zijn’?
  • Nou ja, dat het management denkt: ‘Regio Oost heeft zij zaakjes dus weer niet op orde.’
  • Ja, dat wil je natuurlijk niet, dat ze dat denken. Dat kan ik me heel goed voorstellen. En als je zegt ‘het management’, over wie heb je het dan?
  • Ja, dan denk ik meteen aan de Bob de Boer, dat is toch degene die uiteindelijk bepaalt wat er hier gebeurt.
  • Bob bepaalt wat er gebeurt… hoe gaat dat precies?
  • Gewoon, dat hij het hier voor het zeggen heeft.
  • Ja, ik snap het. Voor het zeggen hebben, hoe precies?
  • Nou ja, Bob bepaalt uiteindelijk of ik in het managementteam kom, dus ik moet wel een beetje een positieve indruk op hem maken.
  • En wat zou er dan gebeuren als je geen positieve indruk op Bob maakte?
  • Dan passeert hij mij. Dan kan ik wel naar mijn carrière fluiten. Althans bij deze organisatie.
  • Ik snap het. En wat houdt dat dat in, dat Bob jou passeert?
  • Nou ja, gewoon, dat ik nog tot mij 68ste in deze functie zit…
  • En ‘in deze functie zitten’, wat bedoel je daar dan mee?
  • Nou, gewoon, dat ik vast zit. Dat lijkt me afschuwelijk. Dat moet ik zondermeer zien te voorkomen.
  • Want wat gaat er dan mis, als je wel vast komt te zitten in deze functie?
  • Dan zou ik me zo opgesloten voelen.
  • ‘Opgesloten voelen’?
  • Ja, in feite krijg ik hier in deze functie gewoon geen lucht. Ik heb het hier benauwd.
  • ‘Je hebt het benauwd’?
  • Eigenlijk zou ik op zoek moeten naar iets anders. Wie weet hoe lang ik hier anders nog zit.
  • En wat zou er dan gebeuren als je niet op zoek ging naar iets anders?
  • Ja, dan zit ik nog jaren in deze functie. Dat wil ik echt niet.
  • Hmmm, en wat bedoel jij dan, ls je zegt dat je dat echt niet wilt?
  • Ik denk dat ik dit weekend meer eens op de vacaturesites ga kijken.
  • Nou prima, ik ben blij dat je dat duidelijk hebt gekregen voor jezelf.

In dit voorbeeld zien we hoe de spreker stap voor stap van een externe irritatie (de trage medewerker) naar een intern proces gaat (ik heb het hier benauwd). Als hij daar eenmaal is aangekomen gaat hij spontaan naar oplossingen zoeken. Merk op, dat de cursist hier heel systematisch met de vier vragen van het mini-metamodel werkt en geen enkel inhoudelijk advies geeft. Hij laat het de ander zelf uitzoeken en zelf oplossen. Over het algemeen zullen mensen dingen die ze zelf bedenken eerder uitvoeren dan adviezen van anderen.

Praktijkopdracht

  • Doe de oefening en vul je logboek in.
  • Save.
  • Ga naar de quiz en geef aan dat je klaar bent voor de volgende les.
  • Aan het eind van de cursus gaan we je vragen om de ‘Free style’ oefeningen uit je logboek te uploaden. Dat is een voorwaarde voor het MetaModel certificaat. Uiteraard kun je de
            cursus ook doen zonder voor het MetaModel certificaat te gaan.

    Powered by Thrive Apprentice
    Pen