Het metamodel, wat is het?
Text

Oorzaak-gevolg

Lesson 17

Bel voor de laatste ronde!

We hebben het mini-metamodel gehad en ook de taalkundige patronen. Je begint in de praktijk vast al te merken dat je taalkracht behoorlijk is toegenomen…

Ik hoop dat je mijn raad hebt opgevolgd en dat je de metamodelvragen op een vriendelijke, positieve manier stelt. En daar kan ik nog aan toevoegen: met mate. Als je dat niet hebt gedaan, zul je inmiddels vast de nodige irritaties hebben opgeroepen bij mensen in je omgeving. Mocht dat zo zijn, onthoud dan van nu af aan: vriendelijke toon!


Nu gaan we verder met de derde en laatste set metamodelpatronen:

  • Oorzaak-gevolg
  • Gedachtenlezen
  • Eeuwige waarheid.

Semantische patronen

Deze drie hebben een andere achtergrond dan de metamodelpatronen die we tot nu toe hebben behandeld. Ze worden de semantische patronen genoemd: het gaat niet om de vorm, maar on de betekenis. Wat is het verschil tussen vorm en betekenis? Twee verschillende zinnen kunnen dezelfde betekenis hebben. ‘Jan ondersteunt Ina’ betekent hetzelfde als ‘Ina wordt door Jan ondersteund’. De uitspraak heeft een iets andere vorm, maar hij betekent hetzelfde. Andersom kan ook. Een enkele zin kan verschillende dingen betekenen. Neem bijvoorbeeld: ‘Ik zie de man met de verrekijker’ Dat kan betekenen dat ik door mijn verrekijker kijk. Maar het kan net zo goed betekenen dat ik een man zie die een verrekijker om zijn nek heeft hangen. De uitspraak heeft zelfde vorm, maar een andere betekenis. Nog een voorbeeld, laatst hoorde ik dit op de radio: ‘De auto’s in de file beginnen langzaam te rijden’. Zijn ze langzaam aan het beginnen of zijn ze langzaam aan het rijden? Het kan beide. Deze laatste drie metamodelpatronen zijn gebaseerd op betekenis, niet op vorm.

Stel bijvoorbeeld dat ik een halve vergelijking hoor. Iemand zegt: ‘Dit is de beste oplossing’. Dan kan ik puur op grond van de vorm zeggen dat er iets ontbreekt. Er wordt een overtreffende trap gebruikt. Dus dan weet ik intuïtief – en natuurlijk ook bewust, nu ik het metamodel ken – dat er een reeks moet zijn, waarin deze ‘beste’ oplossing op nummer een staat. En dan kan ik daar naar vragen: ‘De beste van welke oplossingen?’.

Bij de drie semantische patronen die we nu gaan behandelen, heb ik dat soort taal-intuïties niet. Stel bijvoorbeeld dat ik een oorzaak-gevolg uitspraak hoor. Iemand zegt: ‘Het is dankzij mijn ondersteuning, dat Ina nog leeft’. Hij geeft een oorzaak en een gevolg aan. De oorzaak is ‘mijn ondersteuning’ en het gevolg is ‘dat Ina nog leeft’. Taalkundig is daar niets mis mee. Er zit wel een nominalisatie in (ondersteuning) en een vaag werkwoord (leven). Maar ook als ik de nominalisatie terug vertaal naar handelingen en als ik het vage werkwoord specificeer, blijft het een oorzaak-gevolg uitspraak. Dat zit hem in de betekenis dat B veroorzaakt wordt door A.

De steen en de hooligan

Wat is er dan mis met oorzaak-gevolg uitspraken? Je zou kunnen denken: er zijn in het leven nu eenmaal oorzaken en gevolgen, waarom zou je die niet gewoon benoemen? Het probleem zit hem in het verschil tussen voorwerpen en levende wezens. Bij voorwerpen zijn oorzaken en gevolgen mechanisch en eenduidig met elkaar verbonden. Ik schop tegen de steen (oorzaak) en de steen rolt weg (gevolg). Hoe harder ik schop, des te verder rolt hij weg. Een natuurkundige kan exact uitrekenen waar die steen terechtkomt, als hij de omstandigheden kent (het gewicht van de steen, de snelheid van mijn voet, de richting van mijn schop, de weerstand van de ondergrond, et cetera) .

Maar als het om levende wezens gaat, zijn oorzaken en gevolgen meestal niet zo eenduidig en ook niet zo gemakkelijk ‘uit te rekenen’. Stel ik schop een voetbalsupporter (overigens geen aanrader) en wat is het gevolg? Dat hangt van heel veel factoren af: zijn persoonlijkheid, zijn opvoeding, hoeveel hij heeft gedronken, hoe fit hij is, hoe hij mij inschat, hoeveel andere supporters er bij staan, of zijn club net heeft verloren, enzovoort. De kans is groot dat hij iets gaat doen. Maar wat precies? Dat is bijna niet exact te voorspellen.

Vandaar dat in NLP gezegd wordt dat oorzaak-gevolg uitspraken ‘semantisch onwelgevormd‘ zijn als het om levende wezens gaat. Vertaling: waarschijnlijk is het een te eenvoudige voorstelling van zaken. Waarschijnlijk zijn er meer oorzaken dat de spreker aangeeft. Let wel: we hebben het hier over een waarschijnlijkheid, niet over een zekerheid. Bij een halve vergelijking weten we zeker dat er een helft wordt weggelaten. Bij een oorzaak-gevolg uitspraak vermoeden we dat er oorzaken worden weggelaten.

In de praktijk maakt dit trouwens allemaal niet zo veel uit. Het feit dat deze patronen semantisch zijn en dat het meer om een psychologische waarschijnlijkheid gaat dan om een taalkundige zekerheid. Het maakt eigenlijk niet zo veel verschil, want in de praktijk doe je hetzelfde: je hoort het patroon en je stelt de vraag.

Het patroon

Patroon: ‘[A veroorzaakt B]‘. > Vraag : ‘[Hoe precies wordt B door A veroorzaakt]?

Patroon: “Ik word gek van zijn getreuzel.”
Vraag: “Hoe precies veroorzaakt zijn getreuzel jouw gekte?”

Of: “Wat is precies het verband tussen jouw gekte en zijn getreuzel?”

De spreker beweert dat B veroorzaakt wordt door A. Dat kan op verschillende manieren worden uitgedrukt:

  • A veroorzaakt B
  • B is het gevolg van A
  • Door A gebeurt B
  • Dankzij A gebeurt B
  • Vanwege A moest B wel gebeuren
  • B was niet gebeurd als A niet was gebeurd
  • A zorgt er voor dat B
  • A dwingt B om te….
  • Ik word … van/door …
  • Zij worden … van/door …

Ik word gek van hem

Wat gebeurt er als je iemand vraagt om de relatie tussen de oorzaak en het verband nader uit te leggen? Vaak ontdekt hij dan dat er nog andere oorzaken zijn voor B.

  • Ik word gek van zijn getreuzel!
  • Wat is precies het verband tussen zijn getreuzel en jouw gekte?
  • Dan denk ik man, man, man, kan je nou nooit eens ergens je best voor doen?

Dus alleen al met deze ene vraag wordt de aandacht verschoven van externe factoren (zijn getreuzel) naar innerlijke processen (mijn gedachten over hem). En vervolgens kun je natuurlijk nog allerlei andere metamodelvragen toepassen:

  • Wat bedoel je precies met ‘gek worden’? (Vaag werkwoord)
  • Wat doet hij dan, wat jij ‘getreuzel’ noemt? (Nominalisatie)
  • Wat versta jij onder ‘zijn best doen’?
  • Heeft hij nooit ooit ook maar een keer in zijn hele leven ergens zijn best voor gedaan? (Alles-of-niets)

Dat die gekte rechtstreeks wordt veroorzaakt door dat getreuzel is waarschijnlijk een zeer sterk vereenvoudigde, veel te mechanische voorstelling van zaken. Als je denkt aan mijn schop tegen die steen: zijn emotionele toestand is geen steen en dat getreuzel is geen schop. Door deze metamodelvragen te stellen wordt meer duidelijk van de complexe relaties die achter dit effect (ik word gek) liggen. Dat geeft ook meer aanknopingspunten voor verandering.

  • Wat doet hij dan, wat jij ‘getreuzel’ noemt?
  • Hij zit maar eindeloos naar die computer te staren.
  • Wat bedoel je dan met ‘staren’?
  • Ja weet ik veel waar hij allemaal mee bezig is.
  • Als je wist wat hij precies het doen was, zou je dan minder gek van hem worden? (Dit is overigens geen metamodelvraag)
  • Misschien wel.

​De badge

Ook bij deze module is natuurlijk weer een badge te verdienen. Als je de komende drie lessen goed afrondt ontvang je de onderstaande badge voor deel 3 van het metamodel. Je nadert dan ook het einde van de cursus. Daarna volgen nog enkele praktijklessen en dan ben je klaar. Wist je trouwens dat je ook een certificaat kunt behalen als je de cursus helemaal afrondt?

Powered by Thrive Apprentice
Pen