Het metamodel, wat is het?
Text

Nominalisatie

Lesson 11

Het metamodelpatroon dat we nu onder de loep gaan nemen is nominalisatie. Een synoniem voor nominalisatie is substantivering, wat eigenlijk duidelijker uitdrukt waar het hier om gaat: van en proces wordt in de uitspraak een ding (een soort substantie) gemaakt. Iemand maakt een zelfstandig naamwoord van een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord. In plaats van te zeggen ‘Ik praat met Jan’ (werkwoord) zegt hij: ‘Het praten met Jan vindt plaats.’ (zelfstandig naamwoord). Of hij zegt: ‘Het gesprek met Jan vindt plaats.’ In plaats van te zeggen: ‘Als ik met haar op de bank zit, krijg ik een warm gevoel.’ (bijvoeglijk naamwoord), zegt hij: ‘Ik waardeer de warmte in het contact.’ (zelfstandige naamwoorden).


Nominalisatie is een taalkundig proces, maar het heeft een psychologisch effect. Als ik bijvoorbeeld zeg: ‘De beslissing ligt er’, dan maak ik van een proces (besluiten) een ding (de beslissing). Als wij dingen met elkaar afspreken en ons voornemen om die afspraak uit te voeren – wat een andere manier is om te zeggen dat er een beslissing ‘ligt’ – dan beleven de meeste mensen dat als iets dat nog kan worden veranderd, bijgestuurd, teruggeschroefd, et cetera. Maar als  een beslissing ‘er ligt’, dan zorgt de ding-achtige naamgeving er voor dat je minder snel op het idee komt dat het nog veranderd kan worden.


Die onveranderlijkheid van dingen is natuurlijk geen absoluut gegeven; ook een beslissing ‘die er ligt’ kan altijd nog worden teruggedraaid. Ook aan dingen kan gesleuteld worden. Een huis kan verbouwd worden, een veld kan geploegd worden, enzovoort. Je komt alleen minder snel op het idee dat er iets aan veranderd kan worden. Van nominalisaties gaat een suggestie van onveranderlijkheid uit, die werkwoorden minder hebben. Als je leidinggevende tegen je zegt: ‘Ik heb met Klaas afgesproken dat jij gaat verhuizen’, dan kom je sneller op het idee om te vragen: ‘Waarom hebben jullie dat dan afgesproken en hoe ging dat dan precies?’ dan wanneer zij zegt: ‘Er ligt een beslissing dat jij gaat verhuizen’.

Zo zijn de regels nu eenmaal

Persoonlijk irriteer ik mij vaak aan de zinsnede: ‘Dat zijn nu eenmaal de regels’. Ik heb bijvoorbeeld een computerprogramma gekocht. Dat doet niet wat het volgens de reclame zou moeten doen. Maar de producent wil mij niet uitleggen hoe ik dat kan oplossen. Waarom in hemelsnaam niet? ‘Dat zijn nu eenmaal de regels hier, wij geven geen uitleg aan eindgebruikers.’ Dat ze geen uitleg willen geven, dat ze er voor kiezen om hun tijd aan andere dingen te besteden, wordt uitgedrukt in de nominalisatie ‘de regel’. Hoezo ‘de regel’!? Jullie kiezen er voor om geen tijd aan mij te besteden, dat is iets wat jullie doen.


Ik weet natuurlijk wel waarom ze het zo zeggen: door het zo te benoemen, door de nominalisatie ‘de regels’ te gebruiken, klinkt het meer als een vaststaand gegeven waartegen protesten zinloos zijn. Bovendien klinkt het meer als iets waar de spreker niet verantwoordelijk voor is. Als je zegt: ‘Ik ga mijn tijd er niet verspillen door jou te helpen’, dan ben je daar verantwoordelijk voor. Als je ‘gebonden bent’ aan een ‘regel’ kun jij daar ook niets aan doen.

Nominalisatie in de hypnotherapie

Nominalisatie zorgt er voor dat dingen onveranderlijk klinken, dat dingen meer als vaststaand worden ervaren. De hypnotherapeut Milton Erickson maakte daar bewust gebruik van. Hij zei dingen als ‘Het leren is begonnen’ en ‘De vooruitgang is prettig om te ervaren’. Hij had ook kunnen zeggen: ‘Je bent dingen aan het leren’ en ‘Je gaat vooruit’. Maar hij had ontdekt dat mensen eerder meegaan met de suggestie ‘Het leren is begonnen’ dan met de suggestie ‘Je bent begonnen te leren’. Het feit dat nominalisaties onveranderlijker klinken dan werkwoorden, leidt ertoe dat iemand een nominalistie sneller aanvaardt dan een werkwoord. Erickson gebruikte dat om positieve suggesties gemakkelijker aanvaardbaar te maken.

Nominalisatie in de geneeskunde

De arts Boris Bouricius wees er vaak op dat iedere medische diagnose een nominalisatie is. Hij zei: ‘De dokter gebruikt een wisseltruc: de patiënt komt binnen met een klacht en gaat naar huis met een diagnose’. Wat bedoelde hij daar mee? Als iemand zegt ‘Ik voel me doodmoe en ik heb het heel warm’, dan spreekt hij nog in processen. Als de dokter dan zegt: ‘Je hebt griep‘, zijn die processen een ding (griep) geworden. De klacht is genominaliseerd tot een diagnose. Bouricius maakte hier bezwaar tegen, omdat het de patiënt minder verantwoordelijk maakt voor wat er in zijn lichaam gebeurt. Als je je moe voelt, kun je gaan uitrusten. Als je griep hebt, kun je alleen afwachten tot het over gaat. Eigenlijk zou je moeten zeggen: ‘Ik doe griep’, of ‘Mijn lichaam doet griep’. Alleen klinkt dat natuurlijk heel eigenaardig.


Bouricius vertaalde een diagnose vaak terug naar fysiologische processen. ‘Ik heb een allergie’ wordt dan: ‘Mijn witte bloedlichaampjes vallen dingen in mijn bloedbaan aan, die ze helemaal aan hoeven te vallen’. Als je bijvoorbeeld kijkt naar sterk uitvergrote foto’s van witte bloedlichaampjes die een stukje stuifmeel aanvallen, dan zie dat dat in je lichaam een actief proces is. Daarmee ben je natuurlijk nog niet van je allergie af, maar er gaat een iets ‘maakbaardere’ suggestie van uit, dan van het ‘hebben’ van een ‘allergie’. Overigens geldt hetzelfde als het om psychotherapie gaat. Als de psycholoog zegt: ‘U hebt last van een trauma‘, dan wordt een verwerkingsproces genominaliseerd. Een van de pluspunten van NLP is, dat je nominalisaties zoals ‘trauma’ weer terug kunt vertalen naar innerlijk processen, een soort mentale en emotionele handelingen (innerlijke strategieën). Dat begint met een vraag als: ‘Hoe ga je dan precies om met die moeilijke momenten uit het verleden?’


Hieronder zie je een foto van een wit bloedlichaampje dat een antraxbacterie onschadelijk maakt.

Het patroon en de vraag

Inmiddels is de gedachte misschien al bij je opgekomen, dat onze taal meestal afgeladen is met nominalisaties. Neem alleen al de zin die je net geleden hebt. Daarin zitten al meerdere nominalisaties: ‘gedachte’, ‘taal’ en ook het woord ‘nominalisatie’ zelf, het zijn allemaal nominalisaties. Om ze allemaal te bevragen is niet alleen onbegonnen werk, maar het is meestal ook nutteloos. Dus hier gelden dus eens te meer de regels voor het kiezen van metamodelpatronen om te bevragen:
1. Hoe relevant is de nominalisatie voor het doel waar je aan werkt?
3. Hoe sterk wordt de nominalisatie non-verbaal benadrukt?


Het is moeilijk om een hele concrete regel te geven voor wat je dan precies vraagt. Je wilt met je vraag de ander stimuleren om wat hij als een ding presenteert weer terug te vertalen naar een proces. Meestal in het dan handig om naar werkwoorden te vragen.

Patroon: ‘[Nominalisatie]‘. > Vraag : ‘[Vragen naar werkwoorden, handelingen]?

Patroon: “De reorganisatie is vastgelopen.”
Vraag: “Wat zijn jullie met elkaar aan het doen, dat jij ‘reorganisatie’ noemt?”

Of: Iedere andere vraag die stimuleert om de nominalisatie te vertalen in handelingen.

Het ezelsbruggetje van de kruiwagen

Weet je niet zeker of een woord een nominalisatie is of een tastbaar object? Dan kun je het ezelsbruggetje van de kruiwagen gebruiken. Stel je voor dat je wat er benoemd wordt in een kruiwagen zet. Kan dat? Kun je het in een kruiwagen stoppen? Je stelt je dan wel voor dat die kruiwagen gigantisch is, dus je kunt er ook een huis of een stad in stoppen. Het gaat om de tastbaarheid, niet om de afmetingen. Maar ‘communicatie’ kun je niet in een kruiwagen stoppen, dus dan weet je dat dat een nominalisatie is.

Powered by Thrive Apprentice
Pen