Het metamodel, wat is het?
Text

MiniMetamodel: Verkeersregels

Lesson 6

De meeste zinnen die mensen uitspreken bevatten meer dan één metamodelpatroon waar je vragen over kunt stellen. Welk patroon kies je dan? Je kunt niet op alles tegelijkertijd ingaan. John Grinder – de uitvinder van het metamodel – geeft hier drie ‘verkeersregels’ voor, d.w.z.  drie prioriteiten die je kunt stellen als het er om gaat om waar je als eerste een vraag over stelt.


Maar dat is niet de enige manier om een eerste vraag te kiezen. In feite zijn er – naast Grinder’s verkeersregels – nog twee andere manieren om te bedenken welke metamodelvraag je het eerst stelt. Dit zijn de drie manieren om te kiezen:


Maar dat is niet de enige manier om een eerste vraag te kiezen. In feite zijn er – naast Grinder’s verkeersregels – nog twee andere manieren om te bedenken welke metamodelvraag je het eerst stelt. Dit zijn de drie manieren om te kiezen:


  1. Focus op wat belangrijk is voor je doel
    Ik ga er van uit dat je een doel hebt met het gesprek. Stel bijvoorbeeld dat je doel is om een afspraak duidelijk te maken. Dan zijn uitspraken die met die afspraak te maken hebben natuurlijk het belangrijkst. Als de ander dan zegt: “Ik stond vanochtend weer vast in de file” dan heeft dat misschien niets met de afspraak te maken en laat je die zin lopen. Maar als hij zegt: “Ik ga er van uit dat we dit woensdag af hebben”. Dan stel je metamodelvragen over ‘er van uit gaan’ en ‘af hebben’, want dat gaat over de afspraak.
  2. Let op wat er non-verbaal ‘uit springt’
    Sommige zinnen worden uitgesproken op een opvallende manier. Non-verbaal wijken ze af van de rest van het verhaal. Waar kun je op letten?
    • De zin wordt luider of zachter uitgesproken
    • Sneller of langzamer
    • Op een ander toon
    • Met een langere aanloop-pauze (latentietijd)
    • Met een ander gebaar
    • Met verandering van lichaamshouding
  3. De verkeersregels van Grinder
    En dan heb je de verkeersregels van Grinder:

Regel 1: Eerst ‘moeten’ en ‘niet kunnen’ (de modale operatoren).
Stel vragen bij ‘moeten’ en ‘niet kunnen’ zodra je ze hoort.
(“Wat gebeurt er als er toch X?” en “Wat houdt je tegen om te X?”)

Regel 2: Dan de vage zelfstandige naamwoorden
Specificeer dan alle vage zelfstandige naamwoorden
(“Welke X met name?)

Regel 3: Tenslotte de vage werkwoorden
Specificeer dan alle vage werkwoorden
(“X-en hoe precies?”)

Dus iemand zegt bijvoorbeeld: “We moeten snel iets ontwikkelen, want de medewerkers kunnen zo niet doorpakken.”


Regel 1: Eerst ‘moeten’ en ‘niet kunnen’
Dit zijn de ‘moetens’ en de ‘niet-kunnens’ in deze uitspraak: “We moeten snel iets ontwikkelen, want de medewerkers kunnen zo niet doorpakken.”
Metamodelvraag 1: “Wat gebeurt er, als je niet snel iets ontwikkelt?”
Metamodelvraag 2: “Wat houdt de medewerkers tegen om wel door te pakken?”


Regel 2: Dan de vage zelfstandige naamwoorden
Dit zijn de vage zelfstandig naamwoorden: “We moeten snel iets ontwikkelen, want de medewerkers kunnen zo niet doorpakken.”
Metamodelvraag 3: “Wie bedoel je precies met ‘we’?”
Metamodelvraag 4: “Over welke medewerkers heb je het met name?”


Regel 3: Tenslotte de vage werkwoorden
Dit zijn de vage werkwoorden in de uitspraak: “We moeten snel iets ontwikkelen, want de medewerkers kunnen zo niet doorpakken.”
Metamodelvraag 5: “Snel iets ontwikkelen, hoe precies?”
Metamodelvraag 6: “Over welke concrete handelingen heb je het, als je over ‘doorpakken’ praat?”


Powered by Thrive Apprentice
Pen