Het metamodel, wat is het?
Text

Mini-Metamodel: Vragen

Lesson 5

In de vorige les heb je de in’s en out’s van het mini-metamodel bestudeerd: wat de vragen zijn, waarom je ze stelt en wanneer je ze stelt. In deze les gaan we deze kennis toepassen.


Deze les is anders dan de andere, in de zin dat de les vooral draait om de test (de quiz). Daar krijg je een serie uitspraken voorgelegd en jij moet dan kiezen wat de juiste metamodelvraag is.


Als je de vorige les goed bestudeerd hebt vraag je je nu misschien af : “Moet ik een vraag kiezen? Wat gebeurt er dan als ik geen keuze maak?” Heel goed! Enfin, voor we beginnen geef ik eerst nog een korte samenvatting van het mini-metamodel.


Mini-metamodel vragen

Patroon: ‘X moet‘. > Vraag 1: ‘Wat gebeurt er als X niet plaatsvindt?

Patroon: “Je moet kinderen veiligheid bieden.”
Vraag: “Wat gebeurt er als je ze geen veiligheid biedt?”
Of:
Wat gaat er mis als je ze geen veiligheid biedt?”
Wat zijn de gevolgen, als je ze geen veiligheid biedt?”

Patroon: ‘Ik kan niet X’. Vraag 2: ‘Wat houdt je tegen om X?’

Patroon: “Je kunt kinderen niet alleen laten.”
Vraag: “Wat weerhoudt je om ze alleen te laten?”
Of:
Wat houdt je tegen om ze alleen te laten?
Wat maakt het onmogelijk om ze alleen te laten?””

Patroon: ‘X = Vaag zelfstandig naamwoord’ > Vraag 3: ‘Welke X met name?’

Patroon: “Kinderen zijn zo heerlijk spontaan”.
Vraag: “Welke kinderen met name?”
Of:
Welke kinderen bedoel je?”
Welke kinderen precies?”

Patroon: ‘X-en = vaag werkwoord’ > Vraag 4: ‘X-en, hoe precies?’

Patroon: “Hij werkt hard.”
Vraag: “Hard werken, hoe precies?
Of:
Wat bedoel je precies met ‘hard werken’?
Wat versta jij precies onder ‘hard werken’?

Powered by Thrive Apprentice
Pen