Het metamodel, wat is het?
Text

Het wereldmodel

Lesson 2

In onze geest scheppen we een model van de wereld, een wereldbeeld. Dat wereldbeeld is gebaseerd op onze zintuiglijke ervaringen (wat we zien, horen en voelen). En het bestaat uit generalisaties (veralgemeniseringen). Ons wereldbeeld is een verzameling vooronderstellingen, overtuigingen, uitgangspunten, stellingen, aannames, hoe je ze maar wilt noemen.

Aan de ene kant bepaalt wat we waarnemen dus hoe de wereld er voor ons uitziet. En anderzijds bepaalt ons wereldmodel weer wat we waarnemen. Je hebt dat zelf vast ook meegemaakt: bepaalde dingen zie je pas als je weet dat ze bestaan. Daarvoor bestonden ze vast ook wel, maar je zag ze niet.


De wisselwerking tussen je ervaring en je wereldbeeld werkt twee kanten uit. Het is een zelf-versterkend, zelf-onderhoudend systeem. Net zoiets als je Facebook bubble. Op basis van je ideeën word je lid van bepaalde groepen. En vervolgens lees je berichten van die groepen, waardoor je ideeën worden bevestigd. Dit principe werd in de jaren dertig van de vorige eeuw al geformuleerd door Alfred H. Korzybski.


Relatie tussen wereldmodel en zintuiglijke indrukken
Dit is een belangrijk uitgangspunt: we reageren niet op de wereld zelf, maar op ons model van de wereld. We bepalen onze route niet op basis van het gebied, maar op onze kaart van het gebied. We hebben een plattegrond van de werkelijkheid nodig om de enorme stroom informatie te verwerken die via onze zintuigen binnenkomt. En met die plattegrond navigeren we door de wereld.


Ons wereldmodel fungeert ook als een filter. In het bovenstaande schema (het neuro-linguïstisch model van Korzybski) wordt dat uitgelegd. Er gebeuren dingen in de wereld. Wat voor dingen? Dat zullen we nooit weten. In het schema van Korzybski is dit niveau 1. Die gebeurtenissen hebben effecten op ons lichaam, met name op ons zenuwstelsel (niveau 2). Die effecten vertaalt ons zenuwstelsel in zintuiglijke indrukken. Dit is ook een belangrijk punt: ons zenuwstelsel registreert de wereld niet, het vertaalt de impulsen die binnenkomen in beelden, geluiden en sensaties. Dat is in het schema niveau 3. Die zintuiglijke indrukken, wat je ziet en hoort en voelt, zijn dus ook al geen rechtstreekse afbeeldingen meer van de wereld. Het zijn constructies van je zenuwstelsel: waarnemen is een actief proces. Je zenuwstelsel is geen passief registratie-apparaat zoals een video camera. Het produceert  waarnemingen. Voor het organiseren van al die indrukken gebruik je ondermeer de taal. De taal levert je als het ware de vakjes waar je je waarnemingen in kunt opbergen. 


De analogie van de radio
Om een analogie te gebruiken: ons wereldmodel is als de tuner van een radio.

Stel dat je een radio had die alle zenders perfect kon ontvangen, maar die je niet kon afstemmen. Die alle zenders tegelijkertijd door je kamer liet schallen. Het zou een onbegrijpelijke brij van geluid worden. De belangrijkste functie van een tuner is om bepaalde golflengten juist niet te laten horen. In informatietermen: een belangrijke functie van ons zenuwstelsel is om onderscheid te maken tussen signaal en ruis. De ruis wordt weg gefilterd. Maar wat er precies wordt weggefilterd, dat hang af van je wereldmodel: de één z’n ruis is de ander z’n signaal.


Plattegrond, beperkingen en mogelijkheden
Sommige filosofen stellen dan ook, dat er een onoverbrugbaar verschil is tussen de wereld zelf en onze beleving van de wereld. De Duitse filosoof Vaihinger zegt het in zijn Filosofie van het Alsof zo:

“Het ... is niet het doel van onze innerlijke ideeënwereld om de werkelijkheid te portretteren – dat zou een volkomen onmogelijke opgave zijn - maar eerder om ons een instrument te verschaffen waarmee wij gemakkelijker onze weg door de wereld kunnen vinden.”

Vaihinger


Verschillende mensen doen in de loop van hun leven verschillende ervaringen op, en vormen dus ook een verschillend wereldbeeld. Ieder van ons leeft in feite in een andere werkelijkheid.


Korzybski zegt in Science and Sanity ongeveer hetzelfde als Vaihinger, maar hij voegt daar het begrip structuur aan toe:

“Een kaart is niet hetzelfde als het gebied dat hij weergeeft, maar, als hij correct is, heeft hij wel een soortgelijke structuur als het gebied, wat zijn nut verklaart.”

Korzybski

Wereldmodel als plattegrond
Mijn wereldmodel is als de plattegrond van een stad. Ik heb die plattegrond nodig om mijn weg door de stad te vinden. Dat kan echter alleen doordat de plattegrond dingen weglaat (de steegjes achter de huizen staan er bijvoorbeeld niet op) en andere dingen vervormt (een plein is bijvoorbeeld een geel rondje). Als ieder raam en iedere deurmat op die plattegrond zouden staan, zou ik op de plattegrond even snel de weg kwijtraken als in de stad zelf. Maar doordat ik de plattegrond gebruik, kom ik ook niet gauw op het idee door de steegjes te lopen die er niet op staan.

Vader kon er niet tegen
Stel, je zit met iemand te praten en je hoort hem zeggen: ‘Zonder baan heeft je leven weinig zin’. En stel dat je weet dat diegene op het punt staat om ontslagen te worden. Dan begrijp je ook, dat dit voor hem een belemmerende generalisatie is. Op zijn zachtst gezegd... Het is een overtuiging waar hij niet gelukkiger van wordt. Met het metamodel kun je dan onderzoeken wat ‘het leven’ voor hem betekent en wat ‘zinloos zijn’ voor hem inhoudt. Waarom zou je dat doen? Omdat, als hij beter weet wat die woorden betekenen, hij ook gemakkelijker een nieuwe overtuiging kan vormen. Geen garantie, maar hij krijgt wel de kans.


Via een serie metamodelvragen komen we al pratend uit bij herinneringen aan zijn vader. Die raakte in de jaren tachtig zijn baan kwijt en was daarna lange tijd depressief, compleet met opnames in een psychiatrische kliniek. Wanneer hij deze ervaringen met zijn vader nu opnieuw beschouwt, dan kan hij er een nieuwe conclusie uit trekken. Een betere conclusie zou bijvoorbeeld zijn: ‘Mijn vader kon er heel slecht mee omgaan dat hij niet meer als leraar aan het Gymnasium kon werken’.


Waarom is dit een betere conclusie? ‘Zonder baan heeft het leven geen zin’ is een brede generalisatie. Die geldt voor alle mensen, dus automatisch ook voor hem. Deze generalisatie zegt: binnenkort heb jij geen baan meer, dus binnenkort heeft jouw leven ook geen zin neer. De tweede conclusie, ‘Mijn vader kon er heel slecht mee omgaan met het verliesvan zijn baan’, is veel specifieker. Wat voor zijn vader gold, hoeft helemaal niet voor hem te gelden. Je kan dit onderscheid zelfs nog stimuleren door bijvoorbeeld te vragen 'Doe jij alles net zo als je vader?' of 'Misschien is het mooie wel, dat je van jou vader kunt leren dat je niet alles hetzelfde hoeft te doen als hij'. Of: 'De beste waardering die je je vader kunt geven, is om nu te laten zien dat je ook heel ander met zo'n ontslag kun omgaan'. 


Voor ons als getrainde NLP-ers is dit soort dingen soms heel simpel. Maar voor onze gesprekspartner kan het een soort denkmagie zijn. Hij was zich er waarschijnlijk niet meer van bewust, waar die conclusie vandaan kwam. Nu hij weer weet waar dat hij dat idee gevormd heeft, kan hij het veranderen. Toen hij dat nog niet wist, was dat veel moeilijker. Toen was het nog een soort 'eeuwige waarheid'.

Leave a comment

Comment as a guest:

Name * E-Mail *
Website
Powered by Thrive Apprentice
Pen