Het metamodel, wat is het?
Text

Het Mini-Metamodel

Lesson 4

Er zijn twee versies van het metamodel: het mini-metamodel en het volledige metamodel. We beginnen met het mini-metamodel. Deze les is iets langer dan de andere lessen. Maar dan ben je wel een heel eind verder met het metamodel!


Het mini-metamodel bestaat uit slechts vier vragen en toch dekt het een groot deel van de uitspraken die in het volledige metamodel worden ‘uitgedaagd’. In deze les geef ik je een overzicht van het hele mini-metamodel: welke vragen je stelt, wanneer je ze stelt en en waarom je ze stelt. In de volgende les gaan we naar allerlei concrete uitspraken kijken en het mini-metamodel op die uitspraken toepassen.


1. MOETEN
Wat gaat er mis er als het niet gebeurt?


Vraag stellen bij: Allerlei vormen van noodzakelijkheid.
Taalkundige term:  'Modale operatoren van noodzakelijkheid'.

VOORBEELD

"Je moet kinderen veiligheid bieden.”
Vraag: “Wat gebeurt er als je ze geen veiligheid biedt?”
Of:
Wat gaat er mis als je ze geen veiligheid biedt?”
Wat zijn de gevolgen, als je ze geen veiligheid biedt?”

PATROON

De spreker geeft aan dat iets noodzakelijk is.


  • Moeten
  • Horen/dienen te...
  • Dienen te...
  • Noodzakelijk/onvermijdelijk zijn dat...
  • Gedwongen/verplicht zijn om...

VRAAG

Vraag naar de gevolgen, als dat noodzakelijke niet gebeurt.

  • Wat zou er gebeuren als er/je niet....
  • Wat gaat er mis als er/je niet....
  • Wat zouden de gevolgen kunnen zijn als er/je niet....
  • Wat is het probleem als er/je niet...


Uitleg: Taalkundigen hebben het over oppervlaktestructuur en dieptestructuur. De oppervlaktestructuur is de zin die je hoort. De dieptestructuur zijn de betekenissen die daar onder liggen. Sommige van die betekenissen worden wel uitgesproken, andere niet. Als spreker van de Nederlandse taal weet je intuïtief, wanneer je een bepaalde zin hoort, welke onuitgesproken betekenissen er zijn. Als iemand bijvoorbeeld zegt ‘ Ik ben blij’, dan weet je dat hij ergens blij mee is. En als iemand zegt dat iets moet, dan weet je dat er consequenties zijn wanneer datgene wat moet niet gebeurt. Dat is de essentie van moeten: ik wil bepaalde dingen vermijden, en daarom moet het. Dus vraag je naar die consequenties. Wat zijn die gevolgen als datgene dat moet niet gebeurt?


Als iemand daar antwoord op geeft, heeft dat twee effecten. Jij weet als luisteraar beter wat hij met dat ‘moeten’ bedoelt. Want andere consequenties resulteren in een ander soort moeten. “Ik moet dit doen, want anders zal ik de rest van mijn leven wroeging hebben.” is natuurlijk niet hetzelfde als “Ik moet dit doen, want anders voel ik mij misschien enigszins ongemakkelijk.” Het is vaak belangrijk om te weten over wat voor soort moeten iemand het heeft.


Bovendien, en dit is het tweede effect,  is iemand zich vaak niet meer bewust van de precieze bedreigingen die als het ware achter dat moeten liggen. Hij is zich alleen nog bewust van dat het moet, hij staat niet meer stil bij waarom het moet, wat hij precies wil vermijden. Door hem die gevolgen te laten noemen, krijgt hij weer een keuze. Hij kan de consequenties wel of niet aanvaarden. ‘Moeten’ zonder meer is iets absoluuts. Met ‘moeten’ wordt een grens aangegeven in het wereldmodel. Consequenties wel of niet aanvaarden is een keuze. Als die consequenties weer duidelijk zijn, kijkt iemand als het ware weer over de grens heen.


Expliciet en impliciet moeten
Overigens, soms vraag je wat er mis gaat als er niet gebeurt wat er moet gebeuren, en dan krijg je een impliciet ‘moeten’ als antwoord. Het lijkt alsof je antwoord hebt gekregen. Maar de consequenties achter het moeten zijn nog steeds niet duidelijk. Het moeten verschuift van expliciet (openlijk) moeten naar impliciet (verborgen) moeten.


Voorbeeld:
“Ik moet mijn baas vandaag te pakken zien te krijgen!” (Dit is een expliciet moeten).
“Wat gaat er mis als je haar vandaag niet te pakken krijgt?”
“Dan weet ik niet wat ze van mijn voorstel vindt.”
Dit is een impliciet moeten. Althans, je weet het niet 100% zeker, maar het is wel zeer waarschijnlijk. Door hoe het gesprekje is gelopen, vermoeden we dat de spreker vindt dat hij vandaag moet weten wat zijn baas van zijn voorstel vindt. Maar dat zegt hij niet. Hij vermeldt alleen het feit dat hij het dan niet weet en hij laat in het midden wat dat voor hem betekent. Toch is het aan te raden om dit als een moeten te behandelen, en te vragen:
“Wat gaat er mis als je vandaag nog niet weet wat ze van je voorstel vindt?”


Moeten is okay!
Veel mensen in de NLP-gemeenschap hebben het idee dat ‘moeten’ per definitie fout of slecht is. Als je zegt: “Ik moet daar nodig eens met hem over praten”, dan kijken ze je meewarig aan en vragen “Moet dat?!?” Alsof ze willen zeggen: weet je nu nog niet dat alles kan en niets moet? Maar dat is onzin. Er zijn genoeg dingen die echt moeten. Dus onthoudt: op zich is er niets mis met moeten. Sommige consequenties zijn zo ernstig, dat het absurd zou zijn als je ze niet zou willen vermijden. NLP beweert ook helemaal niet dat moeten slecht is. NLP raadt je alleen aan om je bewust te zijn van de consequenties. Vervolgens mag je er best voor kiezen om die consequenties te vermijden. “Ik moet dit vandaag af hebben.”  “Moet??” “Ja, want anders storten er twee flatgebouwen in met misschien honderden doden. En dat wil ik graag vermijden”.

2. NIET KUNNEN
Wat houdt je tegen?

Vraag stellen bij: Allerlei vormen van onmogelijkheid.
Taalkundige term:  'Modale operator van mogelijkheid''.

VOORBEELD

“Je kunt kinderen niet alleen laten.”
Vraag: “Wat weerhoudt je om ze alleen te laten?”
Of:
Wat houdt je tegen om ze alleen te laten?
Wat maakt het onmogelijk om ze alleen te laten?”

PATROON

De spreker geeft aan dat iets niet kan.

  • Niet kunnen
  • Niet mogen
  • Onmogelijk zijn
  • Geen gelegenheid/kans krijgen om...
  • Beperkt worden in...

VRAAG

Vraag naar wat hem/haar weerhoudt.

  • Wat weerhoudt jou om....
  • Wat houdt jou tegen om....
  • Wat maakt het voor jou onmogelijk om....
  • Wat zorgt er voor dat jij niet...
  • Wat verhindert jou om...


Uitleg: Ook met ‘niet kunnen’ wordt een grens in het wereldmodel aangegeven. Als spreker van de Nederlandse taal voel je intuïtief aan, dat er iets moet zijn waardoor iets niet kan. Iemand kan iets niet omdat er iets is dat hem tegenhoudt, afremt, hindert, dwars zit of stopt. Er staat als het ware een barrière tussen de spreker en datgene dat hij niet kan. Ook hier geldt, net als bij het moeten, dat het ene ‘niet kunnen’ het andere niet is. “Ik kan geen pinda’s eten want dan krijg ik een enorme allergische reactie en dan zou ik kunnen stikken”, is aan heel ander ‘niet kunnen’ dan “Ik kan geen pinda’s eten, want dan krijg ik misschien een vetvlek op mijn overhemd”. En ook hier is het vaak van belang om te weten om wat voor soort ‘niet kunnen’ het precies gaat.


Bovendien is iemand zich, net zoiets als bij ‘moeten’, bij ‘niet kunnen’ vaak niet meer bewust van wat hem precies tegenhoudt. Hij is zich er alleen nog van bewust dat het niet kan, hij staat niet meer stil bij wat precies het obstakel is. Ergens weet hij het nog wel, maar hij richt zijn aandacht er niet meer op. Door hem die hindernissen te laten benoemen, krijgt hij weer een keuze. Hij kan er voor kiezen om de hindernis te overwinnen. Of hij kan de hindernis accepteren. ‘Niet kunnen’ zonder meer is iets absoluuts, net als ‘moeten’ zonder meer. Het overwinnen van een hindernis wel of niet aangaan is een keuze. En net zoals er bij ‘moeten’ sommige consequenties zijn die zo ernstig zijn dat je ze beslist wilt vermijden, zo zijn er ook bij ‘niet kunnen’ ook bepaalde hindernissen die zo groot zijn dat je er voor kiest om ze te accepteren.

3. VAAG ZELFSTANDIG NAAMWOORD
Over welke X heb je het met name?

Vraag stellen bij: Zelfstandig naamwoorden die geen specifieke objecten, personen, plaatsen, zaken, e.d. beschrijven. Taalkundig term "Ontbrekende referentie".

VOORBEELD

Kinderen zijn zo heerlijk spontaan”.
Vraag: “Welke kinderen met name?”
Of:
Welke kinderen bedoel je?”
Welke kinderen precies?”

PATROON

De spreker gebruikt een niet-specifiek zelfstandig naamwoord.

  • Mensen
  • Dieren
  • Huishoudelijke apparaten
  • Opdrachten
  • Landen

VRAAG

Vraag naar het specifieke exemplaar/voorbeeld waar hij het over heeft.

  • Welke mensen met name?
  • Wat voor dieren bedoel je precies?
  • Over welke huishoudelijke apparaten heb je het precies?
  • Wat voor opdrachten bedoel je?
  • Welke landen met name?


Uitleg: In de taalkunde wordt dit een ‘ontbrekende referentie’ genoemd. Het gaat hier om een generalisatie waarbij iemand niet specifiek zegt wat hij bedoelt. Er wordt niet gezegd: ‘Nijmegen en Groningen’, maar er wordt over ‘steden’ gesproken. Er wordt niet gezegd: ‘Els en Marie’, maar er wordt over ‘dames’ gesproken. Er wordt niet gezegd: ‘Bakkerij De Boer’, maar er wordt over ‘bedrijven’ gesproken, enzovoort. In taalkundig termen: de naam van een object, een plaats, een persoonsvorm of een eigennaam is vervangen door een aspecifieke aanduiding. Vanuit het metamodel vraag je om specificatie. Als iemand zegt: “Pensionado’s lopen verloren rond”, dan gooit hij iedereen die met pensioen is op één grote hoop. Hij gebruikt een generalisatie die een flink percentage van de Nederlandse bevolking omvat. Dus vraag je vanuit het metamodel: “Welke pensionado’s bedoel je precies?”.


Meestal zal iemand niet meteen de gevraagde specificatie geven. Hij zegt waarschijnlijk zoiets als “Nou, de meeste pensionado’s.” of “De pensionado’s die ik ken.” Daar ben je daar niet tevreden mee, want “De meeste pensionado’s” is bijna net zo vaag als “Pensionado’s”. Dus je blijft doorvragen. “Okay, je zegt de meeste pensionado’s, maar wie bedoel je dan met name?”. Uiteindelijk komen we bij specifieke personen uit die hij ‘verloren’ heeft zien ‘rondlopen’. In plaats van over ‘pensionado’s’ hebben we het nu over ‘Jan de Boer en Marie Bakker’.


Overigens is over dat ‘verloren rondlopen’ ook nog wel het een en ander te vragen, maar daar komen we zo meteen op terug. Deze specificatie (van het vage zelfstandige naamwoord) kan weer twee effecten hebben. De informatie wordt specifieker. In dit voorbeeld is dat misschien niet zo belangrijk, maar als het gaat om afspraken, doelen, principiële stellingnames, beleidsvoorstellen, ontslagrondes, persoonlijke problemen en dergelijke, dan is het vaak wel belangrijk om precies te weten waar iemand het over heeft.


Het tweede effect is, dan er weer een keuze ontstaat. De spreker heeft een concrete ervaring gehad met Jan de Boer en Marie Bakker. Hij kan er nog steeds voor kiezen om daar de conclusie (generalisatie) aan te verbinden dat ‘Pensionado’s verloren rondlopen’. Maar jij kan er nu ook voor kiezen om te denken: ‘Jan en Marie hadden en slechte dag’.

4. VAAG WERKWOORD
Wat bedoel je precies met X?

Vraag stellen bij: Werkwoorden die geen specifieke handelingen beschrijven.

VOORBEELD

“Hij werkt hard.”
Vraag: “Hard werken, hoe precies?
Of:
Wat bedoel je precies met ‘hard werken’?
Wat versta jij precies onder ‘hard werken

PATROON

De spreker gebruikt een werkwoord dat geen specifieke handeling aanduidt.

  • We gaan het aanpakken.
  • Hij verzet zich.
  • Zij zijn er mee bezig.
  • We krijgen het nier rond
  • Het dringt niet tot haar door

VRAAG

Vraag naar de specifieke handeling.


  • Wat bedoel je precies met 'aanpakken'?
  • Zich verzetten, hoe precies?
  • Wat doen zij dan precies, wat jij 'er mee bezig zijn' noemt?
  • Wat noem jij 'rond krijgen'?
  • Wat bedoel je met 'doordringen'?


Uitleg: We spreken van een vaag of een ongespecificeerd werkwoord, wanneer het werkwoord niet aangeeft om welke handelingen het gaat. Dit lijkt op de ontbrekende referentie, die we daarnet bespraken, alleen gaat het nu om een activiteit in plaats van om een persoon, een plaats, of iets dergelijks. Er wordt niet gezegd: ‘Ik schilder de muur wit.’, maar er wordt over ‘We renoveren de ruimte’ gesproken. Er wordt niet gezegd: ‘Ik bel Hans’, maar: ‘Ik ga het regelen’. Er wordt niet gezegd: ‘We gaan Els ontslaan’, maar: ‘We gaan de organisatie lean en mean maken!’, enzovoort.


Je herkent vast wel beroemde vage werkwoorden zoals ‘er boven op zitten’, ‘het oppakken’ en ‘een stuk X neerzetten’. Ik heb ooit ergens gelezen dat naarmate de werkzaamheden ongrijpbaarder worden, de zegswijzen juist stoerder en kinesthetischer worden. ‘Wij knallen het er vandaag in!’ Meestal heb je geen idee wat ze dan precies gaan doen. Of je krijgt de opdracht: ‘Wij willen graag dat jij dit serieus op gaat pakken, Emma’. Weet je dan wat je moet doen? Misschien moet je daar dan een stuk metamodel tegenover zetten (grapje). Bij vage zelfstandige naamwoorden (ontbrekende referenties) vroegen we: “Over wie, wat of waar heb je het precies?” bij een vaag werkwoord vragen we: “Wat die jij/doen zij dan precies?”. Bijvoorbeeld: “Ik ga deze kamer restylen”. “Restylen, hoe ga je dat precies doen?” “Ik ga de muren wit schilderen”. Dit heeft weer de gebruikelijke twee metamodel-effecten: de informatie wordt specifieker en de spreker krijgt nieuwe keuzes.


Verkeersregels (Traffic Rules)

De meeste zinnen hebben meerdere metamodelpatronen waar je vragen over kunt stellen. Welke patronen kies je dan? Grinder geeft hiervoor de volgende ‘verkeersregels’:


Eerst ‘moeten’ en ‘niet kunnen’ (de modale operatoren)
Stel vragen bij ‘moeten’ en ‘niet kunnen’ zodra je ze hoort.
(“Wat gebeurt er als er toch X?” en “Wat houdt je tegen om te X?”)


Dan de vage zelfstandige naamwoorden
Specificeer dan alle vage zelfstandige naamwoorden
(“Welke X met name?)


Tenslotte de vage werkwoorden
Specificeer dan alle vage werkwoorden
(“X-en hoe precies?”)


Verderop in de cursus komen we terug op deze verkeersregels.

Leave a comment

Comment as a guest:

Name * E-Mail *
Website
Powered by Thrive Apprentice
Pen