Het metamodel, wat is het?
Text

Op jacht naar taalpatronen

Lesson 1

Welkom op de cursus!

De komende weken ga je op safari in de taaljungle, op jacht naar patronen. Je gaat nieuwe kanten van de taal ontdekken. Dat is belangrijk voor je werk, maar eigenlijk overal waar mensen praten. Dus ook privé. En zelfs in je eigen gedachten.


Veel mensen die deze cursus hebben gevolgd, zeggen aan het eind dat ze totaal anders tegen taal aan zijn gaan kijken. Ze krijgen meer controle over de taal, krijgen uitspraken van zichzelf en anderen duidelijker en helpen vrienden, collega’s, cursisten, leerlingen, e.d. bij het oplossen van problemen.


Op naar nog meer taalkracht!


Met Hartelijke Groeten,


Jaap Hollander
Psycholoog, NLP-trainer, Provocatief Trainer, Schrijver



De eerste les
In deze les geef ik een overzicht van het metamodel en daarna volgen er meteen twee theorielessen. Misschien denk je ‘Hmm, theorie, niet zo mijn ding…’ Maar wees gerust. Uit de evaluaties blijkt dat cursisten doorgaans maar 10 tot 15 minuten nodig hebben voor een theorieles. En dan heb je een betere basis voor de praktijk. In het woord ‘begrijpen’, bevat immers het werkwoord ‘grijpen’. De theorie geeft je grip op de praktijk. Kurt Lewin zei het zo:

Er is niets zo praktisch als een goede theorie.

Kurt Lewin

Wat is het metamodel?

Het metamodel is een serie vragen en regels, die je gebruikt om twee dingen te bereiken:

  1. Informatie specificeren, het verhaal compleet maken.
  2. Jezelf en anderen de kans geven om nieuwe generalisaties (nieuwe overtuigingen) te vormen.

Wat betekenen die woorden?
Mensen communiceren met woorden, maar vaak weten ze van elkaar niet precies wat ze met die woorden bedoelen. Dat geeft wrijvingen, misverstanden en onduidelijkheid.


Voor een deel wordt dat opgevangen door twee dingen:

 - de situatie waarin het wordt gezegd

 - de non-verbale communicatie

Woorden zijn maar een deel van de totale communicatie. Iemand zegt bijvoorbeeld ‘Ik heb er een goed gevoel over!’ Als je die zin alleen op papier ziet, weet je niet wat voor gevoel hij bedoelt. Het kan variëren van een lichte voorkeur tot totale extase. Maar doordat jullie het net over zijn nieuwe vriendin hebben gehad (de situatie waarin hij het zegt), mag je aannemen dat het over die nieuwe relatie gaat. En vanwege zijn stemtoon en zijn bewegingen (de manier waarop hij het zegt) begrijp je dat het hier om hevig enthousiasme gaat.


Maar zelfs als je deze twee ‘ondertitels’ in aanmerking neemt, dan nog is er veel ruimte voor misverstanden. Als je echt zeker wilt weten wat iemand bedoelt, bijvoorbeeld omdat er er op dat moment belangrijke afspraken worden gemaakt, of omdat je emotioneel geraakt wordt, of omdat het om een belangrijk hulpbron of hindernis gaat, dan gebruik je het metamodel.


Hoe veranderen mensen?
Het metamodel is gebaseerd op de taal. Waar het op neerkomt is: je maakt dingen mee en onbewust geef je die een plaats. Je beleeft iets en dat geef je een betekenis. Je gooit je ervaringen niet allemaal in één grote bak, maar je bergt ze als het ware op in vakjes met etiketten. En voor die etiketten gebruik je de taal. Uiteraard doe je dat niet allemaal bewust, je doet het grotendeels onbewust.


Voorbeeld: ‘Niet goed in relaties’
Neem Fred. Fred gelooft van zichzelf dat hij die ‘niet goed in relaties’ is. Dit is een persoonlijk voorbeeld, maar vrijwel hetzelfde kan spelen in een zakelijke context. Dan is het misschien 'niet goed met klanten' o.i.d. Fred heeft pijnlijke ervaringen opgedaan in zijn vroege contacten met anderen en die heeft hij als het ware in het vakje ‘mensen’ opgeborgen. Of misschien geloofde zijn vader ook over zichzelf dat hij ‘niet goed met mensen’ was, en heeft Fred dat van hem overgenomen. Zodra iemand nu ‘te dichtbij komt’ doet dat Fred denken aan wat er allemaal aan moeilijke belevingen in dat vakje 'mensen' zit. Dan wordt hij somber en gespannen. Hij is drie keer gescheiden en hij woont nu al weer een jaar in zijn caravan.

Waar het nu om gaat, is dat Fred die generalisatie, ‘Ik ben niet goed met mensen’ heeft gevormd met behulp van de taal. De taal zet als het ware de vakjes klaar waar mensen hun ervaringen in opbergen. Het metamodel van NLP, het systeem dat jij nu aan het leren bent,  gebruikt de taal om te kijken hoe mensen verandering bij zichzelf tegenhouden en hoe jij ze kunt helpen om te veranderen.


Dat is het nieuwe aan het metamodel: het is niet gebaseerd op psychologie, maar op taalkundige ideeën. Uiteraard hangen die twee met elkaar samen, maar het uitgangspunt van het metamodel is de taal.


Terug naar Fred. Je hoort het probleem in allerlei vormen bij hem: ‘Als mensen me gaan claimen krijg ik het stervensbenauwd’, ‘Vrouwen moeten altijd zo nodig een nestje bouwen’, ‘Die behoefte aan vrijheid hè, dat zit nu eenmaal in je.’ Moet Fred dat veranderen? Dat kan hij alleen zelf beslissen. NLP gaat over het proces, niet over de inhoud. Als hij het heerlijk vindt in zijn caravan, met een heerlijk kratje bier en gezellige randfiguren om zich heen, wat zou jij daar dan tegen moeten hebben?


Maar mocht Fred dit wel willen veranderen, dan kun je het metamodel gebruiken. Om maar enkele metamodelvragen te noemen:

 

  • ‘Wat doen mensen dan precies, wat jij ‘claimen’ noemt, Fred?’
  • ‘Over welke vrouwen heb je het trouwens?’
  • ‘Wat weerhoudt jou er eigenlijk van, Fred, om die behoefte aan vrijheid te veranderen?’
  • ‘Wat bedoel je precies met ‘het stervensbenauwd krijgen’?’
  • ‘Wat is eigenlijk het verband tussen hun claims en jouw benauwdheid?’ 

Dit soort vragen stimuleert Fred om terug te gaan naar de belevingen waar hij zijn uitspraken op heeft gebaseerd. En als hij dat ‘claimen’ bijvoorbeeld heeft terugvertaald naar zijn huidige vriendin, die vraagt ‘Heb je zin om vanavond gezellig pasta te komen eten?’ dan kan hij ook nieuwe conclusies trekken. Het hoeft niet, maar het kan wel. Hij krijgt de kans om zijn belevingen met relaties als het ware in een nieuw vakje te stoppen.


Nogmaals, we hebben het nu over een persoonlijk thema, maar voor hetzelfde geld gaat het over een medewerker. Bijvoorbeeld iemand die zich niet durft te binden aan een organisatie. Of iemand die het menselijke contact met klanten en collega’s uit de weg gaat.


Opbouw van het metamodel
Het metamodel bestaat uit drie dingen:

Vragen
Bijvoorbeeld als je deze uitspraak hoort: “Ik moet dit met haar bespreken”, dan stel je deze metamodelvraag: “Wat zou er gebeuren als je het niet met haar besprak?” Je hebt een srei vragen paraat.


Als-Dan Regels
Wanneer
 stel je welke vragen?
Bijvoorbeeld: Als iemand een vaag zelfstandig naamwoord gebruikt zoals ‘mensen’, vraag dan naar specificatie: ‘Welke mensen bedoel je precies?’.


Prioriteit van vragen
Als er meerdere metamodelvragen gesteld kunnen worden – wat bijna altijd het geval is – welke vraag stel je dan het eerst?
Stel, iemand gebruikt het woord ‘moeten’ en ook een vaag zelfstandig naamwoord: ‘Accountants moeten doortastender zijn’. Daag dan eerst het ‘moeten’ uit en pas daarna het vage zelfstandig naamwoord ‘accountants’ (‘Wat gaat er mis als accountants niet doortastender zijn?’ en ‘Over welke accountants heb je het met name?’). Overigens zitten er in deze ene zin nog drie andere metamodel-patronen waar je vragen over kunt stellen: ‘Doortastender dan wat of wanneer?’, ‘Wat bedoel je precies met ‘doortastender zijn’? en ‘Wie vindt dat?’


Werken met het metamodel
Het metamodel bestaat uit een lijst woorden en uitdrukkingen die metamodel-overtredingen worden genoemd. Het woord ‘overtreding’ moet je vooral niet letterlijk opvatten, want dan ga je je misschien opstellen als een politieagent die bekeuringen uitdeelt. Dat is niet goed voor het contact. Metamodel-patronen is eigenlijk een beter, neutraler  woord, dus dat zal ik vaak gebruiken.


Voor elk van deze patronen geeft het metamodel een of meer vragen. Deze vragen worden metamodel-uitdagingen genoemd. Ze nodigen de spreker uit (dagen de spreker uit) om zijn uitspraken te specificeren. Om het metamodel te gebruiken, moet je het patroon (de ‘overtreding’) herkennen en weten welke vraag (welke ‘uitdaging’) bij die overtreding hoort.



Bij het gebruik van het metamodel zijn goede contactuele vaardigheden van groot belang: stel de vragen altijd op een vriendelijke, ondersteunende manier.


Geschiedenis
Het metamodel werd voor het eerst omschreven in The Structure of Magic (1976), het eerste boek over NLP. Het metamodel was het eerste NLP-model dat ooit werd geformuleerd en het is nog steeds een standaard onderdeel van de NLP-opleiding. Oorspronkelijk werd het gezien als een op zichzelf staande vorm van psychotherapie.

In de jaren tachtig kwam John Grinder met een verkorte versie, speciaal bedoeld voor zakelijke situaties. Dit model werd het Precision Model genoemd (1980). In de jaren negentig kwam hij met de  Short Version (Nederlands: Mini-metamodel).


De term ‘metamodel’
Het woord ‘meta’ betekent: over. Metadata bijvoorbeeld, zijn data over data. Een metamodel is dus een model over modellen. In dit geval: een model over hoe mensen hun wereldmodel handhaven of wijzigen.


Metamodel en linguïstiek
John Grinder baseerde het metamodel op de transformationele grammatica van Noam Chomsky. Deze ziet een uitspraak (woord, zinsnede, zin) als een oppervlaktestructuur, die is afgeleid van een dieptestructuur. Chomsky ging er van uit dat kinderen een soort aangeboren dieptestructuur hebben. De dieptestructuur is een netwerk van betekenissen dat groter is dan de uitspraak die je hoort; niet alle betekenissen worden uitgesproken. Als iemand bijvoorbeeld zegt ‘Ik ben boos!’, dan weet je automatisch dat er iets moet zijn waar hij boos over is. Wat het metamodel doet, is naar deze ontbrekende betekenissen vragen: “Waar ben je boos over?” Het antwoord brengt mensen – zowel de luisteraar als de spreker zelf – dichter bij het onderliggende netwerk van betekenissen.

Supergeïrriteerde baas maakt medewerker totaal gestoord

Ik geef een voorbeeld van een metamodelgesprekje, zodat je een idee hebt waar we naartoe werken. Dit voorbeeld gaat over een werksituatie, maar een soortgelijk gesprek kun je met dezelfde middelen voeren over privérelaties, -emoties e.d.


Stel, je zit met een vriend te praten die een probleem heeft op zijn werk. Op een gegeven moment besluit je om het metamodel in te zetten omdat je hem graag op nieuwe ideeën wilt brengen.

  • Ik word totaal gestoord van dat irritante gejaag bij ons op de afdeling!
    (Metamodel – Nominalisatie: gejaag. Vaag werkwoord: gestoord worden. Alles-of-niets: totaal)
  • Lijkt me niet leuk. En wat wordt er dan gedaan, wat jij ‘gejaag’ noemt?
  • Wat niet? Mijn baas, die komt tien keer per dag kijken of het wel genoeg opschiet.
  • En wat bedoel jij dan precies met dat je daar ‘gestoord’ van wordt?
  • Nou, dan denk ik ‘het had al lang af moeten zijn’. Maar ik kom er gewoon niet doorheen’. (Metamodel – Moeten. Vaag zelfstandig naamwoord: het)
  • Wat had er af moeten zijn?
  • De pitch.
  • En wat gebeurt er dan, als de pitch niet af is?
  • Ja, dan is er straks weer een klant ontevreden.
    (Metamodel – Oorzaak-gevolg. Oorzaak: de pitch is niet klaar. Gevolg: de klant is ontevreden)
  • Hmmm, dat lijkt mij ook niet echt lekker werken. En hoe zorgt die onaffe pitch er dan voor dat die klant ontevreden is?
  • Ze zijn gewend dat onze pitches binnen twee weken klaar zijn, dus dat verwachten ze nu ook.
  • Dus eigenlijk heb je last van hun verwachtingen?
  • Ja, maar ik heb vooral ook last van mijn baas.
    (Metamodel – Vaag werkwoord: last hebben van)
  • Hoe heb je dan precies last van je baas?
  • Die komt dan binnen en die is altijd supergeïrriteerd dat het nog niet klaar is.
    (Metamodel – Alles-of-niets: altijd. Gedachtenlezen: Ik weet dat hij geïrriteerd is)
  • Altijd? Kom het totaal, absoluut, never nooit voor dat hij wat minder geïrriteerd is?
  • Nou ja, ik heb het dan vooral over de laatste paar dagen. De paar maanden hiervoor ging het eigenlijk wel.
  • En hoe weet je dan dat hij geïrriteerd is?
  • Nou dat is geen rocket science hoor, je ziet gewoon dat hij geïrriteerd is.
  • Maar wat zie je dan precies aan hem, of wat hoor je dan, waardoor je denkt dat hij geïrriteerd is?
  • Dan kijkt hij me heel strak aan en dan vraagt hij ‘Hoe gaat het de Boer, lukt het een beetje?’
  • Okay, dus als hij jou strak aankijkt dan denk je dat hij geïrriteerd is?
  • Mhm.
  • Maar als jij iemand strak aankijkt, betekent dat dan ook altijd dat jij geïrriteerd bent?
  • Ik weet niet… Nee, niet altijd… Het kan ook zijn dat ik me onzeker voel.
    (Metamodel – Weglating: onzeker voelen)
  • Waarover?
  • Nou ja, nu we het er over hebben denk ik: hij zal zich ook wel onzeker voelen naar de klanten toe. En naar zijn eigen baas toe.
  • Ja, dus waarschijnlijk hebben jullie beiden last van dezelfde verwachtingen.
  • Misschien moeten we de klanten gewoon eens uitleggen hoe ons werk in elkaar zit…
  • Goed idee!

Leave a comment

Comment as a guest:

Name * E-Mail *
Website
Powered by Thrive Apprentice
Pen