Het metamodel, wat is het?
Text

Gedachtenlezen

Lesson 18

Ik weet wat jij denkt! Dat is het tweede metamodelpatroon in serie 3. Dit patroon wordt gedachtenlezen genoemd. Het bestaat er simpelweg uit, dat de spreker beweert dat hij weet wat iemand anders denkt of voelt.

Wat is daar mis mee? Tenzij de ander mij letterlijk heeft verteld dat hij dat denkt, kan ik helemaal niet weten wat hij denkt. Ik leid het af uit bepaalde gedragingen van die persoon of uit verhalen over hem. En in de ‘vertaling’ van mijn observaties in vermeende gedachten of gevoelens van de ander, kunnen allerlei vertalingsfouten optreden. Er is dus een grote kans dat wat ik denk dat hij denkt of voelt gewoon niet klopt.

Interpretatie

Klopt het dan nooit, als we denken te weten wat er in iemand anders omgaat? Jawel, want a. soms trekken we intuïtief de juiste conclusie en b. soms heeft iemand het ons letterlijk verteld. Als een vriend tegen mij zegt: ‘Ik heb een enorme hekel aan van die protserige auto’s’, en ik zeg later ‘Wim heeft een hekel aan protserige auto’s’, dan heb ik natuurlijk helemaal gelijk. Wat dan precies die protserige auto’s zijn, dat is dan nog de vraag. Vanuit het metamodel kun je vragen: ‘Wat voor protserige auto’s bedoel je precies? Maar dat ik weet wat hij denkt, dat klopt in dit geval helemaal.

En het kan ook gebeuren dat de ander je weliswaar niet letterlijk verteld heeft wat hij ervaart, maar dat je interpretatie gewoon klopt. Je collega zit bijvoorbeeld met haar computer te werken. Op een gegeven moment wordt ze rood, stampt ze met haar voet op de grond en begint ze binnensmonds hevig te vloeken . Jij denkt: ‘Madelon is behoorlijk gefrustreerd over dat haar computer weer niet doet wat zij wil’. Ja, daar heb je dan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook gelijk in.

Wat je innerlijk met je collega hebt gedaan, in dit voorbeeld, is in gedachten nadoen wat zij deed – de spiegelneuronen in je brein doen dat automatisch – ervaren wat jij voelt als jij zo doet en de conclusie trekken dat zij zich ook wel zo zal voelen. Dat doe je allemaal niet bewust, maar zo gaat het ongeveer. En vaak klopt dat als een bus. Evolutionair gezien heeft de mens overleefd dankzij intelligentie, gereedschap en samenwerking, dus aanvoelen wat er bij de ander gebeurt zit er bij ons ingeprogrammeerd. Alleen, hoewel het soms prima klopt, het klopt lang niet altijd.

Klopt het?

Als iemand beweert dat hij weet wat iemand anders ervaart, is de metamodelvraag heel simpel: Hoe weet je dat? Kijk eens naar deze drie uitspraken:

  • Jan heeft een hekel aan protserige auto’s.
  • Hoe weet je dat?
  • Dat zei hij laatst tegen mij.

 

  • Willem is reuze gelukkig met zijn nieuwe vriendin
  • Hoe weet je dat?
  • Ik zag ze laatst samen en hij straalde helemaal.

 

  • Mia heeft geen vertrouwen meer in Els
  • Hoe weet je dat?
  • Ze heeft Els al in geen weken meer gebeld.

In het eerste geval (Jan heeft een hekel aan protserige auto’s) is het vrijwel zeker dat het klopt. Het is eigenlijk ook geen gedachtenlezen, want de spreker herhaalt gewoon wat hij Jan letterlijk heeft horen zeggen. Dus voor zover Jan zelf weet wat hij ervaart – laten we daar even van uit gaan – klopt dit helemaal.

In het tweede geval (Willem is reuze gelukkig) wordt het al iets minder zeker. Ook als de observatie helemaal klopt en Willen inderdaad straalt, zou het nog kunnen zijn dat hij heel ergens anders over straalt dan over zijn nieuwe vriendin. Of misschien is hij een goede toneelspeler die anderen graag wil laten geloven dat het reuze goed met hem gaat. Hier is dus al een kans dat de conclusie niet klopt.

In het derde geval (Mia heeft geen vertrouwen meer in Els) wordt het nog onzekerder. Dat zij Els al weken niet gebeld heeft, kan van alles betekenen. Misschien is zij ziek. Misschien is zij in het buitenland. Misschien is haar telefoon gestolen. Misschien heeft zij besloten iedereen minder te bellen. Het verband tussen de observatie en de conclusie is vrij twijfelachtig.

De spreker als waarzegger

In dit derde voorbeeld is de spreker een soort waarzegger die zijn observaties gebruikt als een kristallen bol. Alleen is hij zich daar meestal niet van bewust. Het verband tussen de observatie (zij belt Els niet) en de conclusie (zij heeft geen vertrouwen meer in Els) wordt meestal onbewust gelegd. Een goede vervolgvraag is dan ook: ‘Als jij iemand een paar weken niet belt, betekent dat dan altijd dat je geen vertrouwen meer in ze hebt?’.

Met deze vraag nodig je de ander uit om zich weer bewust te worden van het verband tussen zijn observatie en zijn conclusie. Je geeft hem de kans om na te gaan of wat hij denkt over de ander wel klopt. Hij was zich waarschijnlijk alleen bewust van zijn conclusie (Mia heeft geen vertrouwen meer in Els). Nu wordt hij zich weer bewust van waar die conclusie vandaan komt, en kan hij misschien ook ander conclusies trekken. Zo kunnen communicatieproblemen soms worden voorkomen of opgelost.

Het patroon

Hier is het patroon:

Patroon: ‘[De spreker beweert dat iemand X denkt of voelt]‘. > Vraag : Hoe weet je dat [hij of zij X denkt of voelt]?

Patroon: “Mia vindt mij geweldig.”
Vraag: ‘Hoe weet je dat Mia jou geweldig vindt?’

Of: “Waar leid jij uit af dat Mia jou geweldig vindt?”
Of: “Wat heb je gezien of gehoord, waardoor jij bent gaan denken dat Mia jou geweldig vindt?’

Vervolgvraag
Patroon: ‘Ik weet dat hij/zij [X denkt of voelt] omdat ik hem/haar [Y heb zien/horen doen.’] > Vraag: A’s jij zelf [Y doet], betekent dat dan ook [X]?’

Patroon: ‘Ik weet dat Mia mij geweldig vindt, omdat zijn mij laatst een mailtje doorstuurde over een goed doel.’
Vraag: ‘Als jij zelf iemand een mailtje doorstuurt, betekent dat voor jou dan ook dat je die persoon geweldig vindt?’

Powered by Thrive Apprentice
Pen