Het metamodel, wat is het?
Text

Deel 2: de vragen

Lesson 14

Deze cursus is een soort wedstrijd in drie helften. Het praktijkgedeelte van het mini-metamodel hebben we al gedaan. We gaan nu door naar de tweede helft; het praktijkgedeelte van de taalkundige metamodelvragen.  Je hebt de vier taalkundige patronen nu een voor een bestudeerd:


  1. Weglating
  2. Halve vergelijking
  3. Alles-of-niets
  4. Nominalisatie.


Deze les draait vooral om de quiz. In de quiz zie je een serie uitspraken en het is weer aan jou om de juiste metamodelvragen te kiezen.

Geen verkeersregels?

Misschien is de vraag bij je opgekomen: zijn er voor deze patronen geen verkeersregels? Is er voor deze patronen geen prioriteit gesteld? Nee. Het mini-metamodel is het enige deel van het metamodel waarvoor verkeersregels zijn. Hoe weet je dan bij deze patronen op welke je wilt ingaan, als je er meerdere tegelijkertijd hoort? Dat is vooral een kwestie van relevantie en non-verbale nadruk: welk woord lijkt het meest relevant en welk woord wordt het sterkst non-verbaal onderstreept? Hoewel er dus geen verkeersregels zijn, heb je wel deze drie manieren waarop je tot een keuze kunt komen:


  • Focus op wat belangrijk is voor je doel
    In een live gesprek, tenminste in een live gesprek waarin je het metamodel inzet, heb je in principe een doel. Stel bijvoorbeeld dat je doel is om een probleem te verhelderen. Dan zijn uitspraken die met dat probleem te maken hebben natuurlijk het belangrijkst. Hoe rechtstreekser de uitspraak of de zinsnede met dat probleem te maken heeft, des te belangrijker is het om daar een metamodelvraag over te stellen. Stel het probleem is: ‘Ik voel me steeds minder gezien in deze organisatie’. En je gesprekspartner zegt: “Ja, ze moet weten, ik werk hier al meer dan 20 jaar” dan heeft dat zijdelings te maken met het probleem. Het is een soort context-informatie, een omschrijving van de situatie waarin het probleem zich voordoet. Het is geen omschrijving van het probleem zelf. De relevantie voor het probleem is niet helemaal nul, maar wel laag. Vandaar dat je die zin laat lopen. Maar als hij zegt: “Als het niemand meer interesseert wat je doet, dan is je motivatie in no time weg”, dan schotelt hij je een heel buffet van relevante metamodelpatronen voor, die allemaal rechtstreeks op het probleem slaan. Je kunt ingaan op de alles-of-niets uitspraak niemand, op de nominalisatie motivatie, op de alles-of-niets uitspraak in no time, of – teruggrijpend op de vorige lessen – op de vage werkwoorden interesserendoen en weg zijn. Tegen de tijd dat je daar allemaal vragen over hebt gesteld, is het probleem vast een stuk duidelijker.
  • Let op wat er non-verbaal uit springt
    Sommige zinnen worden uitgesproken op een opvallende manier. John Grinder noemt dit heel treffend ‘listening across the top’. We hebben het daar al eerder over gehad. Non-verbaal wijken sommige woorden of sommige zinnen af van de rest van het verhaal.
    Waar kun je op letten?
    • Luider of zachter uitgesproken.
    • Sneller of langzamer.
    • Op een ander toon.
    • Met een langere of kortere aanloop-pauze (latentietijd).
    • Met een ander gebaar.
    • Met een verandering van lichaamshouding.
  • Gebruik je intuïtie
    De overkoepelende doelen van het metamodel zijn steeds: de informatie verhelderen en de ander stimuleren om zijn wereldbeeld bij te stellen of te evalueren. Vaak voel je intuïtief aan, welke woorden of zinnen daarvoor het belangrijkst zijn. Je kunt misschien niet uitleggen waarom je het gevoel hebt dat daar een kernpunt ligt, maar je voelt wel dat het er ligt. In dat geval volg je je intuïtie en stel dar metamodelvragen over.

Overzicht

Ik zet de patronen waar het nu om gaat nog even voor je op een rijtje:

Patroon: ‘[Weglating]‘. > Vraag : ‘[Aanvulling van wat wordt weggelaten]?‘

Patroon: “Ik moet rennen!”
Vraag: “Waar moet je naartoe rennen?”
Of:
Waar moet je vandaan rennen?””

Patroon: ‘X is [halve vergelijking]‘. > Vraag : ‘[halve vergelijking] dan wat?‘

Patroon: “Je kunt beter duidelijk zeggen wat je denkt.”
Vraag: “Beter dan wat?
Of:
In vergelijking met wat?

Patroon: ‘[Alles-of-niets uitspraak]‘. > Vraag : ‘[Absoluut, totaal, helemaal niets/nooit/iedereen/overal]!?!‘

Patroon: “Hij luistert nooit naar mij.”
Vraag: “Absoluut, totaal helemaal nooit!?!”
Of: “Heb je het nog nooit in je hele leven ook maar een keer meegemaakt dat hij wel naar je luisterde!?!”
Of: “Kun je je uit al die tijd dat je hem kent niet ook maar een enkele keer herinneren dat hij wel naar je luisterde!?!”

Patroon: ‘[Nominalisatie]‘. > Vraag : ‘[Vragen naar werkwoorden, handelingen]?‘

Patroon: “De reorganisatie is vastgelopen.”
Vraag: “Wat zijn jullie met elkaar aan het doen, dat jij ‘reorganisatie’ noemt?”
Of: Iedere andere vraag die stimuleert om de nominalisatie te vertalen in handelingen.

We gaan nu verder met de quiz. In alle uitspraken in de quiz zit een van de vier metamodelpatronen waar het nu over gaat. Omdat er in dezelfde zin meestal ook nog andere metamodelpatronen zitten, heb ik steeds aan het eind van de zin (tussen haakjes) het woord of de zinsnede herhaald die ik graag wil dat je bevraagt.

Powered by Thrive Apprentice
Pen