Het metamodel, wat is het?
Text

Alles-of-niets

Lesson 12

We gaan nu verder met alles-of-niets. Dit is een van de gemakkelijkste metamodelpatronen en tegelijkertijd een van de krachtigste. Bij alles-of-niets geeft de spreker een grens van zijn wereldmodel aan met een absolute term. In de filosofie – dit terzijde – wordt dit een universele kwantor (een aanduiding van totale aan- of afwezigheid). genoemd: ‘Er bestaat geen X met eigenschap Y’ of ‘Iedere X heeft eigenschap Y’.


In het dagelijks taalgebruik zijn deze termen gemakkelijk te herkennen:


  • Alles of niets
  • Overal of nergens
  • Iedereen of niemand
  • Altijd of nooit
  • Totaal of totaal niet
  • Absoluut of absoluut niet
  • Helemaal of helemaal niet

Grenzen van het wereldmodel

Het mooie van dit soort woorden is, dat iemand rechtstreeks verwijst naar een grens in zijn wereldmodel. Hij zegt als het ware: hier ligt voor mij een grens die ik niet kan passeren. Of hij zegt: hier bestaan voor mij geen grenzen. En in NLP gaan we er van uit dat iemands mogelijkheden worden begrensd door zijn wereldmodel. Welke mogelijkheden hij in het leven benut, hangt af van welke mogelijkheden hij wel of niet waarneemt. Let wel, als hij een bepaalde mogelijkheden waarneemt die niet bestaat, bijvoorbeeld dat hij kan vliegen, dan bestaat die mogelijkheid natuurlijk nog steeds niet meteen. Maar wie weet, misschien stimuleert het die persoon wel om het vliegtuig uit te vinden. Als hij er van uitgaat dat hij nooit zal kunnen vliegen, dan gaat hij zeker het vliegtuig niet uitvinden.


Denk even terug aan Korzybski en zijn slogan ‘De kaart is niet het gebied’. Met een alles-of-niets uitspraak zoals ‘niets’,  ‘nooit’ of ‘nergens’, ‘zegt iemand: hier staat een grens op mijn kaart, op mijn plattegrond van de werkelijkheid. Of als het gaat om ‘alles’, ‘altijd’, ‘overal’, e.d dan zegt hij: hier bestaan voor mij geen grenzen. Daarom zijn dit vaak belangrijke woorden om vragen bij te stellen. Het zijn zeer brede generalisaties. Als iemand die generalisaties weer verbindt met concrete levenservaringen, dan ontdekt hij vaak nieuwe mogelijkheden.

Wat vraag je dan?

Wat is de metamodelvraag die hier bij past? Dat is in feite een overdrijving. Je maakt het alles-of-niets nog groter of nog nadrukkelijker.

Patroon: ‘[Alles-of-niets uitspraak]‘. > Vraag : ‘[Absoluut, totaal, helemaal niets/nooit/iedereen/overal]!?!

Patroon: “Hij luistert nooit naar mij.”
Vraag: “Absoluut, totaal helemaal nooit!?!”

Of: “Heb je het nog nooit in je hele leven ook maar een keer meegemaakt dat hij wel naar je luisterde!?!”
Of: “Kun je je uit al die tijd dat je hem kent niet ook maar een enkele keer herinneren dat hij wel naar je luisterde!?!”

Als je dit vraagt, zal de ander negen van de tien keer zijn absolute uitspraak gaan relativeren: ‘Nou ja, helemaal nooit, dat is misschien ook weer wat te veel gezegd’. En daar is dan meteen een poortje open gegaan in die grens. Zo erg – of zo mooi – is het nu ook weer niet.

Hier kan nooit iets

  • “Waar ik zo van baal, is dat er in deze organisatie nooit iets kan!”
  • “Bedoel je echt dat er totaal helemaal absoluut nooit iets kan bij jullie?”
  • “(Aarzelend) Ja, eigenlijk wel; hier kan echt nooit iets.”
  • “Okay, dus in al die jaren dat jij daar werkt, heb je het nog nooit ook maar een enkele keer meegemaakt dat er wel iets kon?”
  • “Nou ja, natuurlijk wel, zo erg is het nou ook weer niet, maar het kan alleen als de baas er heil in ziet.”
  • “Wat bedoel je met ‘er heil in zien’? (Vraagt naar vaag werkwoord)
  • “Nou ja, hij doet het alleen als hij het gevoel heeft dat de zaak er onmiddellijk voordeel bij heeft”.
  • “Onmiddellijk? Bedoel je de seconde dat het gedaan wordt? Ik bedoel, je doet het nu, en een minuut later is het voordeel meteen zichtbaar?”
  • “Nee, nee, nee, zo extreem bedoel ik het natuurlijk niet, maar wel op de korte termijn”.
  • “Wat bedoel je dan precies met ‘de korte termijn’?” (Vraagt naar vaag zelfstandig naamwoord)
  • “Zeg maar, binnen een paar maanden”.


Hiermee is er een grens in het wereldbeeld verschoven van ‘er kan niets’ naar ‘het kan, mits ik de baas er van overtuig dat het binnen een paar maanden voordeel oplevert’. Deze tweede generalisatie biedt meer mogelijkheden dan de eerste. In plaats van te gaan zitten balen dat hier nooit iets kan, kan ik nu gaan nadenken over hoe ik de baas zou kunnen overtuigen. Dat biedt meer mogelijkheden om iets nieuws te kunnen doen. Maar het idee ‘dat er hier nooit iets kan’ heeft ook zijn voordelen. Want als ik dat geloof, hoef ik ook geen nieuwe dingen te bedenken en nieuwe uitdagingen aan te gaan. Dat is lekker rustig en ik ben er niet zelf verantwoordelijk voor, want het ligt natuurlijk niet aan mij dat er hier nooit iets kan… Hoe dit gesprek afloopt heeft dus – en dit is meestal zo – niet alleen te maken met het metamodel, maar ook met de diepere motivatie van de spreker.


In de quiz vind je nog een aantal voorbeelden van alles-of-niets uitspraken.

Powered by Thrive Apprentice
Pen